Overslaan en naar de inhoud gaan

Richtlijn Pleegzorg

Inhoudsopgave

Kernaanbevelingen

Volgen en stimuleren van ontwikkeling van pleegkinderen

  • Zorg dat het kind minstens drie keer per jaar een zorgprofessional spreekt. Breng de ontwikkeling van kinderen in pleegzorg minimaal eens per jaar in kaart (bij kinderen tot en met 3 jaar eens per halfjaar). Kijk hierbij naar het adequaat functioneren op verschillende ontwikkelingstaken en naar mogelijke problemen. Bespreek de ontwikkeling van de kinderen met de pleegouders, de ouders en het zorgteam. Zet effectieve interventies in als kinderen specifieke problemen hebben waarvoor hulp nodig is en betrek waar nodig het lokale team of specialistische kennis (bijvoorbeeld via de ggz). Zie Volgen en stimuleren van ontwikkeling van pleegkinderen.

Beslissen over perspectief

  • Maak als zorgteam binnen een maand na de uithuisplaatsing een plan van aanpak. Het is van belang dat alle betrokkenen – kind en ouders – op de hoogte zijn van de afspraken in het plan van aanpak en weten waarom deze gemaakt zijn. Bespreek het plan op een voor hen begrijpelijke manier. Zet in het plan de doelen, de randvoorwaarden voor terugkeer naar huis en de afspraken over de begeleiding van de ouders en hun kind om de doelen te bereiken. Zet in het plan ook op welke termijn je het perspectiefbesluit neemt en verantwoord waarom deze termijn past bij deze situatie. Hierbij is van belang dat je kijkt welke termijn aanvaardbaar is voor kind en ouders. Het bepalen van een aanvaardbare termijn is maatwerk en voor ieder kind en gezin anders. Zorg voor een gezamenlijke planning en maak vanaf dag één tempo om deze termijn te halen.

    Neem het perspectiefbesluit systematisch. Doorloop de stappen en/of criteria van een instrument of model, zoals de Beoordelingsboog, de Deltamethode, of het Pedagogisch Beslissingsmodel (zie de richtlijn Uithuisplaatsing en terugplaatsing).

Stabiliteit en breakdown

  • Beperk overplaatsingen tot een minimum. Ga periodiek na of er risico’s ontstaan die kunnen bijdragen aan een breakdown. Denk aan een toename van gedragingen van de kinderen die de pleegouders als problematisch ervaren, een afname van adequaat opvoedgedrag van de pleegouders en een verstoorde relatie tussen ouders en pleegouders. Zet tijdig aanvullende begeleiding in om het opvoedgedrag en het affectief-reflectieve vermogen van de pleegouders te versterken, het probleemgedrag van de kinderen te verminderen en de samenwerking tussen ouders en pleegouders te verbeteren.

Veiligheid in pleeggezinnen

  • Screen aspirant-pleegouders zorgvuldig. Bereid pleegouders goed voor op het opvoeden van een niet-eigen kind, dat (mogelijk) getraumatiseerd is en gedrag laat zien dat zij als storend kunnen ervaren. Evalueer in de voorbereiding en tijdens de plaatsing periodiek de veiligheid in het pleeggezin. Dit vanwege het verhoogde risico op misbruik en mishandeling na uithuisplaatsing. Check ook de risicofactoren voor kindermishandeling, zoals stress bij pleegouders. Wees alert op het risico op seksueel misbruik. Let in het bijzonder op bij meisjes, bij kinderen met een licht verstandelijke beperking en bij kinderen met een voorgeschiedenis van seksueel misbruik. Bespreek bij de begeleiding van pleegouders altijd de veiligheid in het pleeggezin en zorg dat je oog hebt voor het welzijn en de stress van pleegouders. Zorg ervoor dat het kind een vertrouwenspersoon heeft. Ga na of er signalen van onveiligheid zijn, bespreek deze tijdig met de betrokkenen en neem maatregelen om de veiligheid te vergroten. Bespreek zorgen over veiligheid met ouders en kind, pleegouders en het multidisciplinaire team. Stel vervolgens een veiligheidsplan op. Heb altijd aandacht voor veiligheid in de gesprekken met het kind en check of het kind de vertrouwenspersoon nog regelmatig spreekt.

Samenwerking

  • Stel als pleegzorgbegeleider een zorgteam samen met in principe ouders en kind (in ieder geval vanaf 12 jaar, aanbevolen vanaf 8 jaar), pleegouders, belangrijke personen uit het netwerk en professionals rond het gezin (zoals lokaal jeugdteam, behandelaar, voogd, jeugdbeschermer en/of leerkracht). Maak in het zorgteam duidelijke afspraken over de rollen, taken en grenzen van alle betrokkenen en bespreek regelmatig de samenwerking tussen ouders en pleegouders en tussen pleegzorgbegeleider en jeugdbeschermer. De ouders zijn en blijven ouders van hun kind. Respecteer hun positie en zorg voor gedeeld opvoederschap. Vergroot de stabiliteit van de plaatsing en werk ernaar toe dat de ouders langzamerhand de plaatsing kunnen verdragen. Geef daarvoor aandacht aan rouw, verdriet en het vormgeven van hun ouderschap. Wees helder over het perspectief, streef naar gezamenlijke besluitvorming, help de ouders bij het opstellen van doelen, wees duidelijk over de termijnen en voorwaarden voor terugplaatsing en bied ondersteuning bij het invullen van de ouderrol.

1. Introductie

Doel van de richtlijn

De richtlijn Pleegzorg heeft de volgende doelen:

  • Stimuleren dat professionals in de pleegzorg uniform en effectief vormgeven aan de begeleiding van kinderen in pleegzorg, hun ouders en pleegouders en de eigen kinderen in het pleeggezin. Om zo de ontwikkeling van kinderen optimaal te stimuleren.
  • Stimuleren dat professionals in de pleegzorg op basis van vastgestelde criteria en binnen een voor het kind aanvaardbare termijn een besluit nemen over het opvoedingsperspectief van een kind.
  • Afgebroken pleegzorgplaatsingen (breakdown) voorkomen.
  • Inzichtelijk maken welke kennis rond pleegzorg vaak ontbreekt.

Alles bij elkaar wil de richtlijn het handelen van professionals uniformeren en de kwaliteit van de pleegzorg verbeteren binnen de geldende juridische kaders en afgesproken verantwoordelijkheden.

Relevantie

Een uniforme richtlijn voor de pleegzorg is om meerdere redenen van belang. Zo blijkt uit onderzoek in de pleegzorg dat zowel langdurige onzekerheid over de plek waar het kind opgroeit als een breakdown van de pleegzorgplaatsing schadelijk zijn voor de ontwikkeling van het kind. De richtlijn Pleegzorg biedt concrete handvatten voor professionals die in de pleegzorg werken of betrokken zijn bij pleegzorgplaatsingen. De richtlijn legt uit hoe ze de pleegzorgplaatsing zo kunnen begeleiden dat ze de ontwikkeling van kinderen optimaal stimuleren en onzekerheid over het opvoedperspectief en breakdown voorkomen.

Uithuisplaatsing (en dus ook een pleegzorgplaatsing) is niet alleen voor kinderen, maar ook voor hun ouders een buitengewoon ingrijpende ervaring. Ze zijn onzeker hoe de toekomst eruitziet. Het is heel belangrijk om zowel ouders als pleegouders passend te begeleiden bij de pleegzorgplaatsing dan wel de terugplaatsing van het kind naar huis. Duidelijkheid over het opvoedperspectief helpt om te komen tot een constructieve samenwerkingsrelatie en gedeeld opvoederschap met de pleegouders. Zowel ouders als pleegouders hebben hier meestal begeleiding bij nodig. 

Voor pleeggezinnen zijn duidelijke richtlijnen van belang. Zodat ze adequate ondersteuning krijgen, weten welke uitgangspunten belangrijk zijn in de zorg van pleegkinderen, en duidelijkheid hebben over het perspectief en de zorg die het pleeggezin zelf nodig heeft. 

Ten slotte helpt succesvolle pleegzorgplaatsing ook de samenleving. Bij een mislukte pleegzorgplaatsing is de kans groter dat kinderen gedragsproblemen ontwikkelen - vanuit een gegroeid wantrouwen naar volwassenen en grotere onzekerheid over zichzelf (Ervaringen Herzieningswerkgroep, 2024). Het risico is dan dat een volgende plaatsing mislukt. Dit heeft grote impact op het latere leven van een kind dat (pleeg)zorg gehad heeft: in welzijn, psychische gezondheid, onderwijs, werk en relaties met anderen. Dit kan leiden tot een grotere behoefte aan specialistische hulp en residentiële opvang en daarmee tot grotere maatschappelijke kosten.

Afbakening

Deze richtlijn richt zich op pleegzorg: de pleegouders hebben een contract met een pleegzorgaanbieder. Als een kind bij familie of vrienden logeert zonder betrokkenheid van een zorgaanbieder, is er geen sprake van pleegzorg. De richtlijn gaat niet over deeltijdpleegzorg, zoals weekendpleegzorg of vakantiepleegzorg. En ook niet over netwerkpleegzorg waarbij geen pleegzorgaanbieder betrokken is. Kijk voor meer informatie op Pleegzorg.nl. Verwachting is dat in de toekomst het aantal kinderen dat in een netwerkpleeggezin verblijft of deeltijd in pleegzorg zitten, groter worden. De richtlijn zal t.z.t. hierop worden aangevuld dan wel aangepast. Ook de veiligheid, de stem van het kind, en de screening van pleegouders blijven aanscherping vragen. 

Pleegzorg is er in twee varianten. De hulpverleningsvariant richt zich op het verhelderen van het toekomstperspectief en de ondersteuning van ouders bij terugplaatsing naar huis. De opvoedingsvariant richt zich op het bieden van een langdurig vervangende opvoedsituatie.

In deze richtlijn doen we geen afzonderlijke aanbevelingen voor een van deze varianten. Wel ligt het accent in sommige delen meer op de hulpverleningsvariant. Andere delen van de tekst richten zich meer op de zorg en hulpverlening nadat een perspectiefbesluit is genomen over het vervolg van de plaatsing. Verder maken we alleen onderscheid tussen pleegzorg in een netwerkpleeggezin en in een bestandspleeggezin als dat voor de beantwoording van de uitgangsvragen relevant is. We maken hier geen onderscheid tussen pleegzorg in een gedwongen dan wel een vrijwillig kader.

Deze richtlijn staat niet op zichzelf, maar sluit aan bij andere richtlijnen voor jeugdhulp en jeugdbescherming. Zo behandelen de richtlijn Samen beslissen over hulp en de richtlijn Uithuisplaatsing en terugplaatsing de processen die voorafgaan aan de uitvoering van pleegzorg. Daarnaast zijn er richtlijnen voor de diagnostiek en behandeling van verschillende problemen.

Hebben kinderen één of meer van deze problemen en werk je als professional met deze kinderen, hun ouders en pleeggezin? Raadpleeg dan ook de voor die problemen relevante richtlijnen.

Begrippen

Probleemgedrag

Gedrag dat anderen als problematisch en/of verstorend ervaren en ongunstig is voor de ontwikkeling van het kind zelf. Deze term is gangbaar in internationaal wetenschappelijk onderzoek. Ook de richtlijn Ernstige gedragsproblemen, die zich vooral richt op externaliserend probleemgedrag, gebruikt deze term. Als herzieningswerkgroep (2024) zien we probleemgedrag van kinderen en jongeren als een manier om een signaal af te geven (signaalgedrag) of te overleven (overlevingsgedrag). Als we verwijzen naar wetenschappelijk onderzoek, gebruiken we de term ‘probleemgedrag’. Als het gaat om inzichten uit de praktijkervaring van de werkgroep, gebruiken we ook ‘signaalgedrag’. Daarnaast benadrukken we dat ook internaliserende problematieken zelfdestructief kunnen zijn voor kinderen en jongeren, en eveneens pedagogische aandacht verdienen. 

Zorgteam

Leden van dit team zijn in principe de ouders, het pleegkind (als het ouder is dan 12 jaar), de pleegouders, de casemanager of jeugdbeschermer, de pleegzorgbegeleider en eventueel andere belangrijke betrokkenen (professioneel of uit het netwerk), zoals een leerkracht of een familielid.

De richtlijn geldt volgens de Jeugdwet ook voor personen tot 23 jaar, wanneer zij voor ze 18 werden al jeugdhulp ontvingen en deze nog doorloopt.

Voor wie is de richtlijn bedoeld?

De richtlijn Pleegzorg is bedoeld voor professionals die betrokken zijn bij de uitvoering van pleegzorg, of dat nu voltijd- of deeltijdpleegzorg is.

Basisinformatie

Op deze richtlijn zijn enkele basisinformatie van toepassing zoals die geldt voor alle richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming. Het gaat om de volgende onderwerpen:

  • Doelgroep van de richtlijnen
  • Gedeelde besluitvorming
  • Diversiteit
  • Beschikbaarheid interventies
  • Juridische betekenis van de richtlijnen
  • Begripsdefinitie kinderen, jongeren en ouders

Naar de basisinformatie

Een algemene verantwoording van de werkwijze bij de ontwikkeling en herziening van de richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming vind je bij Over de richtlijnen.

2. Wat is pleegzorg?

Definitie

Pleegzorg is een vorm van zorg waarin pleegouders een kind verblijf, verzorging en vervanging van de oorspronkelijke opvoedingssituatie bieden, in combinatie met professionele begeleiding van het kind, de pleegouders en de ouders door een hulpverleningsinstelling (Strijker, 2009). Het uitgangspunt van pleegzorg is dat het kind zo mogelijk – en zo snel als het kan – weer bij de ouders gaat wonen. De mogelijkheden hiervoor weeg je voor ieder kind af, waarbij het belang van het kind centraal staat. Op basis hiervan bepaal je naar wat voor soort pleeggezin een kind gaat. 

Plaatsing in het netwerk

Pleegouders kunnen gevonden worden in het sociale netwerk van kinderen en ouders, zoals familie en bekenden. Deze vorm van pleegzorg heet ook wel netwerkpleegzorg. Vanuit het perspectief van kinderrechten heeft deze vorm de voorkeur boven andere vormen van alternatieve zorg (zie hieronder). In 2021 werd in Nederland 46% van de kinderen in een pleeggezin binnen hun netwerk geplaatst (Pleegzorg Nederland, 2023). Daarmee groeit het aantal netwerkplaatsingen in Nederland. Er zijn op dit punt grote verschillen tussen landen. In Spanje is bijvoorbeeld 80% van alle plaatsingen een netwerkplaatsing, in België 73%, en in de Verenigde Staten 23% (Kenniscentrum Pleegzorg, 2021; Konijn et al, 2019).

Bestandspleegouders

Daarnaast zijn er pleegouders die het kind vooraf nog niet kent, maar die al langer geregistreerd staan bij een pleegzorgorganisatie. Deze heten ook wel bestandspleegouders. Zowel bestandspleegouders als netwerkpleegouders moeten aan een aantal wettelijke eisen voldoen. Allereerst moet één van de pleegouders minstens 21 jaar zijn. Ten tweede moeten de pleegouder(s) en huisgenoten (boven de 12 jaar) voor de plaatsing van een kind al beschikken over een Verklaring van Geen Bezwaar van de Raad voor de Kinderbescherming. Ten derde beoordeelt de pleegzorgaanbieder de geschiktheid van het pleeggezin voor de plaatsing van kinderen. En ten slotte moet de pleegouder bereid zijn om begeleiding door de zorgaanbieder te aanvaarden (artikel 5.1 lid 1 Jeugdwet, zie 4.3).

Indicatie nodig

Formele pleegzorg is niet vrij toegankelijk. Pleegzorg kan geïndiceerd worden in een vrijwillig of in een gedwongen kader. In het eerste geval vragen de ouders pleegzorgplaatsing aan bij – en in samenwerking met – de gemeente, bijvoorbeeld via lokale teams. In het gedwongen kader is er sprake van een ondertoezichtstelling (OTS) of voogdijregeling en vraagt een gecertificeerde instelling de plaatsing aan. In dat geval is ook een machtiging uithuisplaatsing van de kinderrechter nodig.

Statistieken

In 2021 maakten 22.748 kinderen en jongeren gebruik van pleegzorg. Na een groei sinds 2000 is dit aantal sinds 2014 gestabiliseerd. In 2021 waren er 17.548 pleeggezinnen, zijn 2.297 nieuwe pleegouders geaccepteerd en zijn 1.215 pleegouders gestopt (Pleegzorg Nederland, 2023). Van alle pleegkinderen verblijft 32% in een pleeggezin in het kader van vrijwillige hulpverlening. In 56% van de plaatsingen is er sprake van een jeugdbeschermingsmaatregel. Daarbij is het kind in 36% van de gevallen met een machtiging van de kinderrechter uithuisgeplaatst en ligt de voogdij bij de gecertificeerde instelling (Jeugdbescherming). En 20% heeft een ondertoezichtstelling (OTS). Voor 12% van de pleegkinderen is er sprake van pleegoudervoogdij (Pleegzorg Nederland, 2023). Jaarlijks publiceert Jeugdzorg Nederland een factsheet met de meest actuele cijfers. 

Het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind

In het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) is vastgelegd dat de belangen van het kind een eerste overweging moeten zijn bij een beslissing die het kind aangaat (artikel 3 IVRK). Verder is vastgelegd dat de verantwoordelijkheid om een kind op te voeden primair bij de ouders ligt (artikel 18 IVRK). De staat moet de rol van de ouders in de opvoeding van hun kind dan ook respecteren (artikel 5 IVRK), ook als de voogdij formeel niet meer bij de ouders ligt (United Nations Guidelines for the Alternative Care of Children, VII:81; Van der Zon, 2020). Kinderen hebben het recht om op te groeien bij hun ouders en mogen niet tegen hun wil van hen gescheiden worden, tenzij dit in het belang van het kind is (artikel 9 IVRK).

Uithuisplaatsing is uiterste maatregel

De juiste ondersteuning bieden aan ouders als primair verantwoordelijken voor de verzorging en opvoeding van hun kind komt overeen met de opdracht die het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind geeft (zie artikel 3 lid 2, artikel 5 en artikel 18 IVRK).

Het accent ligt nadrukkelijk op ondersteuning van de ouders in de gezinssituatie. Pas in het uiterste geval, als het nodig is in het belang van het kind, komt de mogelijkheid van een uithuisplaatsing in beeld (artikel 9 IVRK).

Wanneer ouders en kind niet instemmen met een pleegzorgplaatsing, kunnen bevoegde autoriteiten toch tot plaatsing overgaan als dit in het belang is van het kind (artikel 9 lid 1 IVRK). Dit is onder voorbehoud van de mogelijkheid van een rechterlijke toetsing, en gebeurt volgens het toepasselijke recht en procedures (een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing). Uit de formulering van artikel 9 IVRK volgt dat pleegzorgplaatsing – en daarmee het scheiden van kinderen van hun ouders – een uiterste maatregel is. Ook in de internationale richtlijnen voor alternatieve zorg voor kinderen en jongeren is dit het basisbeginsel. Kinderen vanaf 12 jaar en/of ouders kunnen ook zelf toestemming geven voor vrijwillige plaatsing in een pleeggezin.

Liefst met broers en zussen

Een kind heeft ook het recht om op te groeien met broers en zussen (artikel 16 IVRK en 8 EVRM). Bij een uithuisplaatsing van broers en zussen is het belangrijk dat broers en zussen samen worden geplaatst in een pleeggezin of gezinshuis (Bahlmann, 2020). Het is verplicht om zorgvuldig af te wegen of het mogelijk is om broers en zussen samen te plaatsen. Alleen kindgerichte afwegingen kunnen het gescheiden plaatsen van broers en zussen rechtvaardigen, zo bepaalt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Bij gescheiden plaatsing van broers en zussen hebben zij recht op omgang met elkaar. Al het mogelijke moet worden gedaan om broers en zussen contact met elkaar te laten onderhouden, tenzij dit ingaat tegen hun wensen of belangen.

Een kind gedwongen in een pleeggezin plaatsen is een zwaar middel. Dat moet zeer terughoudend worden toegepast. Aan de plaatsing gaat een zorgvuldige afweging vooraf. Wanneer de overheid zich mengt in het gezinsleven van burgers en een kind gedwongen laat opnemen in pleeggezin, geldt artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Lid 2 van dat artikel stelt dat voldaan moet worden aan de vereisten van subsidiariteit (Is inmenging noodzakelijk?) en proportionaliteit (Staat het belang in verhouding tot de inbreuk?) (Beroepscode en Tuchtrecht, NVO). Een kind scheiden van de ouders mag dus alleen als dat noodzakelijk en in het belang van het kind is. Kinderen hebben ook het recht om gehoord te worden (artikel 12 IVRK) en om informatie te krijgen (artikel 17 IVRK). De internationale Richtlijnen voor Alternatieve Zorg voor Kinderen stellen dan ook dat aan het besluit om een kind uit huis te plaatsen een proces vooraf moet gaan, waarbij kind en ouders zorgvuldig betrokken zijn (artikel 9 lid 1, artikel 3 lid 1 en 2, artikel 12 IVRK). Een kinderrechter kan kinderen vanaf ongeveer 8 jaar oud horen (Bruning et al., 2020). 

Volgorde voor opvang

In artikel 20 lid 3 IVRK volgt een rangorde in beschikbare alternatieven van opvang. De eerste stap is kijken of het kind terechtkan bij andere familieleden (met een ruime interpretatie van de term familieleden). Daarna is een vervangend gezin een optie. Een passende residentiële instelling is pas de laatste mogelijkheid (zie ook artikel 23 en 24 IVBPR en de Richtlijnen voor Alternatieve Zorg voor Kinderen).

Transitie en transformatie en internationale ontwikkelingen

De ontwikkeling van deze richtlijn in 2015 viel samen met een grote transitie en transformatie van de zorg voor jeugd, zoals vastgelegd in de Jeugdwet. Belangrijke thema’s hierin waren het zo mogelijk normaliseren van de leefsituatie van het kind, en het aansluiten bij de regie en de eigen kracht van het kind, diens gezin en hun gezamenlijke sociale netwerk. 

De Jeugdwet (2015) stelt expliciet dat bij uithuisplaatsing een pleeggezin of gezinshuis ‘indien redelijkerwijs mogelijk’ de voorkeur moet krijgen, ‘tenzij dit aantoonbaar niet in het belang is van de jeugdige’ (artikel 2.3, lid 6). De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij gemeenten. Het recht om in een gezinsomgeving op te groeien is ontleend aan het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind en uitgewerkt in de United Nations Guidelines for the Alternative Care of Children. De wens om ‘safe and family-based care’ de voorkeur te geven boven institutionele zorg wordt internationaal breed gedragen (The Lancet, 2020). Het Nederlands Jeugdinstituut heeft dit streven in diverse publicaties samengevat als Zo thuis mogelijk opgroeien en Mijn Thuis

3. Volgen en stimuleren van ontwikkeling van pleegkinderen

Over het volgen en stimuleren van ontwikkeling van pleegkinderen

Het doel van een pleegzorgplaatsing is om een gezinssituatie te creëren waarin kinderen zich zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen op verschillende gebieden. Dit kan tijdelijk zijn, om een terugplaatsing naar huis te onderzoeken en/of mogelijk te maken. Maar het kan ook permanent zijn, als terugplaatsing niet mogelijk is. Idealiter ontwikkelen kinderen zich in pleeggezinnen zoals te verwachten valt gezien hun (ontwikkel)leeftijd.

Deze bouwsteen is primair bedoeld voor pleegzorgbegeleiders, maar ook gedragswetenschappers kunnen er hun voordeel mee doen. Zij hebben immers een ondersteunende functie voor pleegzorgbegeleiders, en kunnen een taak vervullen in het volgen van de ontwikkeling van kinderen, het tijdig signaleren van problemen en het adviseren over de inzet van interventies. 

Vraag en aanbevelingen

3.1. Ontwikkeling volgen en stimuleren

Hoe kun je de ontwikkeling van kinderen in pleegzorg zo goed mogelijk volgen en stimuleren?

Aanbevelingen

3.1.1. Ontwikkelingsgebieden

  • Bespreek als pleegzorgbegeleider de ontwikkeling(staken) van kinderen in het zorgteam bij de start van de plaatsing en herhaal dit ten minste jaarlijks (bij kinderen jonger dan 3 jaar halfjaarlijks) en wanneer dit nodig is.

3.1.2. Ontwikkeling vaststellen en volgen

  • Spreek minimaal drie keer per jaar apart met het kind (zonder pleegouders). Zorg ervoor dat de gesprekken van goede kwaliteit zijn.

  • Breng de ontwikkeling van het pleegkind in kaart.

  • Zorg als organisatie dat pleegzorgbegeleiders hiervoor voldoende tijd hebben.

3.1.3. Bijdragen ontwikkeling van het kind

  • Zorg dat de ouder zo goed mogelijk kan blijven bijdragen aan de ontwikkeling van het kind. 

3.1.4. Begeleidingsbehoeften

  • Leg in een pleegouderbegeleidingsplan vast welke begeleidingsbehoeften pleegouders en eigen kinderen hebben, zowel qua opvoedingsvaardigheden van de pleegouders als qua draagkracht van het pleeggezin. Zorg dat ze de benodigde begeleiding ook krijgen. 

3.1.5. Interventies

  • Zet effectieve interventies in als kinderen specifieke problemen hebben waarvoor hulp nodig is en betrek waar nodig het lokale team of specialistische kennis (bijvoorbeeld ggz).

  • Heb oog voor traumasensitief opvoeden. Bekijk daarnaast de mogelijkheden tot het maken van een levensverhaal met bijvoorbeeld de methode 'Words and pictures'.

3.1.6. Beschermende factoren en risicofactoren

  • Bespreek met pleegouders welke factoren de ontwikkeling van kinderen kunnen beschermen: een autoritatieve opvoedingsstijl (gekenmerkt door liefdevolle ondersteuning en controle op het doen en laten van kinderen), goed grenzen kunnen stellen en tegelijkertijd emotioneel verbonden blijven (sensitief-responsief), een traumasensitieve benadering en een steunend sociaal netwerk hebben.

  • Leg kinderen op verschillende leeftijden uit waarom ze niet meer thuis kunnen wonen en geef ze de ruimte om hun gevoelens hierover te uiten. Laat je uitleg aansluiten op de leeftijd en het ontwikkelingsniveau. Ook een levensboek kan een kind hierbij helpen. Geef psycho-educatie over problematiek van de ouders en de eventuele eigen problematiek. 

  • Werk er met ouders naartoe dat zij hun kind ontschuldigen en expliciet toestemming geven om in het pleeggezin te wonen, bijvoorbeeld door ‘Words and Pictures’ in te zetten.

  • Zet als pleegzorgbegeleider de volgende technieken in voor het begeleiden van pleegouders bij het stimuleren van de ontwikkeling van het kind: luisteren en doorvragen om het gedrag van het kind te begrijpen, benoemen wat goed gaat, opvoedingsstrategieën leren om het gedrag van het kind te veranderen, aandacht besteden aan de pleegouder als persoon, en pleegouders motiveren om open te staan voor interventies.

  • Erken dat ouders hun kind het beste kennen en nodig hen uit om hun ervaring te delen en om samen vorm te geven aan gedeeld opvoederschap.

  • Erken deskundigheid van de pleegouder, sta toe dat de pleegouder uit ervaring spreekt en neem deze serieus.

3.1.7. Netwerkpleeggezinnen

  • Zet bij netwerkpleeggezinnen waar nodig extra begeleiding in, eventueel in samenwerking met het wijkteam. 

  • Sluit aan bij de behoeften van netwerkpleegouders en zoek passende scholing als een eventuele eerste crisisperiode voorbij is. 

  • Als er nog geen beoordeling van veiligheid en geschiktheid heeft plaatsgevonden, moet deze alsnog binnen dertien weken volgen (artikel 5.1, lid 3 Jeugdwet). Let gedurende deze periode extra op de veiligheid. 

3.1.8. Achtergrondinformatie

  • Zorg dat pleegouders in ieder geval achtergrondinformatie krijgen over het kind, bij voorkeur ook van kind en ouders zelf. 

3.1.1. Ontwikkelingsgebieden

Toelichting op de aanbeveling

  • Bespreek als pleegzorgbegeleider de ontwikkeling(staken) van kinderen in het zorgteam bij de start van de plaatsing en herhaal dit ten minste jaarlijks (bij kinderen jonger dan 3 jaar halfjaarlijks) en wanneer dit nodig is.

Om pleegouders en ouders te kunnen ondersteunen bij de opvoeding van (pleeg)kinderen, is het van belang om na te gaan op welke ontwikkelingsgebieden het goed gaat en op welke ontwikkelingsgebieden kinderen problemen hebben – mogelijk gerelateerd aan de pleegzorg – en wat voor problemen dit zijn.

Meerdere problemen tegelijk

Kinderen in pleegzorg kunnen op verschillende ontwikkelingsgebieden tegelijkertijd problemen hebben (Social Care Institute for Excellence, 2004). Deze problemen zijn vaak al ontstaan vóór de uithuisplaatsing van kinderen, bijvoorbeeld door verwaarlozing, mishandeling en/of (seksueel) misbruik (Van den Bergh & Weterings, 2010a). Daarnaast zijn de uithuisplaatsing en pleegzorgplaatsing ingrijpende gebeurtenissen voor een kind. Gaandeweg de plaatsing blijven gedragsproblemen bij een grote groep kinderen gelijk of de problemen nemen zelfs toe (Goemans et al., 2015; Leloux-Opmeer et al., 2016a). Kinderen en jongeren in de pleegzorg hebben vaak kindermishandeling en/of verwaarlozing meegemaakt. Bij vele van hen speelt daardoor traumagerelateerde problematiek, zoals PTSS, en hechtingsproblematiek. Daarnaast hebben ze vaak gedragsstoornissen rond impulsiviteit en agressie, hechtingsproblematiek en ADHD, depressie en middelenmisbruik (Landsverket al., 2009; Leathers et al, 2019, Leloux-Opmeer et al., 2016b). Het is daarom van belang dat er een gestructureerde en brede analyse beschikbaar is of plaatsvindt die alle factoren en gebeurtenissen in het leven van het kind, het gezin en de omgeving in beeld brengt. Zo’n analyse is de basis voor passende ondersteuning. Een voorbeeld is een verklarende analyse.

Als pleegzorgbegeleider heb je een primaire taak om de ontwikkeling van kinderen te volgen op basis van kennis over normale en afwijkende ontwikkeling. Let hierbij in ieder geval op de lichamelijke ontwikkeling, de sociaal-emotionele ontwikkeling, de identiteitsontwikkeling, seksuele ontwikkeling en het functioneren op school (De Baat & De Lange, 2013). Kijk er ook naar wat kinderen hebben meegemaakt en hoe het voor hen is om in een pleeggezin te wonen. 

Ontwikkeling inschatten

Om de ontwikkeling te taxeren, schat je als pleegzorgbegeleider in hoeverre het kind de ontwikkelingstaken vervult die passen bij de leeftijd. Vaak is er aan een pleegzorgplaatsing al hulpverlening voorafgegaan. Hierdoor is er vaak al informatie over de ontwikkeling van het kind verzameld. Maak als pleegzorgbegeleider zoveel mogelijk gebruik van deze informatie. Verzamel daarnaast aanvullende informatie om de ontwikkeling in beeld te brengen. Dat kan door gesprekken, observaties en spel. Het document Opgroeien en opvoeden (Slot, 2010) geeft in hoofdstuk 3 een overzicht van alle ontwikkelingstaken van kinderen en jongeren in verschillende leeftijdsfasen. Dit kun je als hulpmiddel gebruiken om de ontwikkeling van de jeugdige in kaart te brengen. De taken zijn cumulatief. Bij kinderen met een (lichte) verstandelijke beperking wijkt de leeftijd waarop ze toe zijn aan een bepaalde ontwikkelingstaak af van de kalenderleeftijd in de tabel. Zowel het cognitieve als het sociaal-emotionele functioneringsniveau bepaalt welke taken passend zijn.

Naast de ontwikkelingstaken voor alle kinderen, hebben kinderen in pleegzorg ook een aantal specifieke ontwikkelingstaken. 

In de methodiek ‘Terug naar huis’ zijn specifieke ontwikkelingstaken voor kinderen in pleegzorg geformuleerd. Deze zijn weergegeven inonderstaande tabel (Vinke & Van de Mortel, 2004). Ook in de Ontwikkelmeter Jeugd zijn extra ontwikkelingstaken geformuleerd voor kinderen die in een pleeggezin verblijven. De taken zijn ingedeeld in vijf domeinen: gehechtheid, loyaliteit, verlies en rouw, oudercontact, afkomst en identiteit, afkomst en familiecultuur (Engelhart & De Win, 2011).

Tabel Ontwikkelingstaken voor kinderen in pleegzorg (Vinke & Van de Mortel, 2004; aangevuld door Herzieningswerkgroep/Vinke, 2024)

LeeftijdOntwikkelingstaken
0-1 jaar
  • Omgaan met het separatietrauma
  • Omgaan met de cultuurschok
2-3 jaar
  • Vertrouwen ontwikkelen jegens de pleegouders
  • Contact met de ouders hebben
4-5 jaar
  • Omgaan met het verschil tussen jezelf en je ouders
6-11 jaar
  • Omgaan met gevoelens van verlatenheid versus gewenst zijn
  • Fantasieën hebben over terugplaatsing, toekomst
12-14 jaar
  • Omgaan met dubbele loyaliteiten/ dubbel ouderpaar
  • Fantasieën hebben over terugplaatsing, toekomst
  • Exploreren van de eigen wortels, bijvoorbeeld in familie, cultuur, religie, taal en etniciteit
  • Delen van eventuele ervaringen van discriminatie (tot minderheid behoren, vooroordelen en stereotyperingen ervaren, subtiele vormen van discriminatie)
15-18 jaar
  • De triadische familie accepteren: plaatsmaken voor pleegouders en voor de eigen ouders
  • Meervoudige identiteitsvorming, qua cultuur, religie en etniciteit
  • Veerkracht vinden na mogelijke ervaringen van discriminatie
18-23 jaar
  • Zelfstandigheid in keuzes maken rondom levensinvulling, onderwijs, wonen, werk en relaties, ook ten aanzien van pleeggezin, gezin van herkomst, bredere familie en andere belangrijke anderen
  • Verhouden tot het eigen levensverhaal in verdergaande identiteitsvorming 
Van toepassing door alle fasen heen gedurende gehele plaatsingsperiode
  • Omgaan met dubbele loyaliteiten
  • Omgaan met bestaansonzekerheid
  • Gehechtheid en ingroei in pleeggezinvormen
  • Vertrouwen ontwikkelen jegens de pleegouders
  • De relatie met je eigen ouders en familie behouden
  • Omgaan met verdriet en rouw
Bijzonderheden
  • Als vóór plaatsing in het pleeggezin sprake is geweest van mishandeling, verwaarlozing of misbruik, heeft een kind de taak deze (traumatische) ervaringen te verwerken.

Aandacht voor hechting

Kinderen die uit huis zijn geplaatst, hebben één of meerdere verhuizingen meegemaakt. Daarmee zijn vaak relaties met dagelijkse opvoeders verbroken. Daarnaast hebben veel kinderen negatieve hechtingservaringen opgedaan in hun gezin van herkomst. Hierdoor zijn vaak angst en wantrouwen ontstaan, waardoor het kind ‘zelfbeschermingsgedrag’ heeft ontwikkeld om een hechtingsrelatie aan te gaan (Ervaringsinzicht Herzieningswerkgroep, 2024). Dit maakt dat het grootste deel van de kinderen in pleegzorg te maken heeft met problemen op het gebied van hechting en daarmee in het opnieuw aangaan van een hechtingsrelatie met pleegouders. Een belangrijk inzicht is dat gehechtheid geen kenmerk van een kind is, maar van een (pleeg)ouder-kindrelatie (Juffer, 2023). Aangezien de gehechtheidsontwikkeling van een kind de basis vormt voor ontwikkeling op alle gebieden, is het van belang dat de pleegzorgbegeleider extra aandacht heeft voor sensitief- responsief pleegouderschap, met het oog op de hechtingsrelatie tussen kinderen en pleegouders. Het is voor pleegkinderen belangrijk om tegelijkertijd hechtingsrelaties op te bouwen met pleegouders en ouders (Maaskant, 2016; Juffer, 2023). Ook is het goed mogelijk dat een kind een hechtingsrelatie met een eerdere pleegouder of verzorger blijft onderhouden. Vanuit het perspectief van relationele stabiliteit is dit juist een wenselijke situatie. Daarbij is het belangrijk dat de volwassenen elkaar niet beconcurreren en daarmee het kind in loyaliteitsconflict brengen. Kinderen zijn immers in staat om met meerdere personen tegelijk hechtingsrelaties aan te gaan en dit is juist belangrijk voor hen (Forslund et al, 2021). De hechtingsrelatie tussen kind en ouder(s) moet dus niet verbroken worden, maar ouders moeten zo dicht mogelijk betrokken blijven op het leven van een kind.

De pleegzorgbegeleider beschikt daartoe over voldoende kennis om de gehechtheidsrelatie te kunnen observeren en waar nodig passende hulpmiddelen in te zetten of hulp in te roepen. Daarnaast geeft de richtlijn Problematische gehechtheid extra handvatten (de Wolff & Wilderman, 2020). Meer informatie over gehechtheid is te vinden in de Research Memorandum Beslissingen over kinderen in problematische opvoedsituaties. Inzichten uit gehechtheidsonderzoek (Juffer, 2023).

Aandacht voor trauma

Kinderen in pleegzorg hebben in hun gezin van herkomst vaak te maken gehad met onveilige situaties, en soms misbruik of mishandeling. Ook het uithuisplaatsen zelf is voor kinderen vaak traumatisch. De kans dat een kind dat uithuisgeplaatst is, een trauma heeft of ontwikkelt, is dan ook groot. Hier moet de pleegzorgbegeleider alert op zijn en pleegouders hierbij begeleiden. Ook helpt specifieke training rond trauma pleegouders om de opvoeding beter aan te kunnen en minder stress te ervaren (Konijn et al, 2020). Trauma herkennen is gecompliceerd, symptomen staan nooit op zichzelf. Trauma’s zijn nauw gerelateerd aan ‘ingrijpende jeugdervaringen’ (ACE’s: Adverse Childhood Experiences. Het kan behulpzaam zijn deze in kaart te brengen. Zorg als pleegzorgbegeleider dat je voldoende kennisneemt van de problematiek en weet welke specialistische hulpverlener binnen de organisatie of de ggz kan worden betrokken. Die kan pleegouders eventueel ook adviseren om een training met betrekking tot trauma te volgen. Zie voor meer informatie over diagnostiek en behandeling de richtlijn Traumagerelateerde problemen. Concrete instrumenten om periodiek te screenen op trauma zijn de TSCYC (Tierolf et al., 2014), TSCC (Tierolf, 2021) en Kind en Jeugd Trauma Screener (KJTS) (Kooij en Lindauer, 2019). Pleegzorgbegeleiders en pleegouders dienen goed geïnformeerd te worden over de achtergrond van het kind en de reden voor uithuisplaatsing.

Aandacht voor identiteitsvorming

Wanneer een kind in een pleeggezin wordt geplaatst, wordt er gezocht naar een pleeggezin dat op hun eigen gezin van herkomst lijkt. Dit is ook een recht dat is vastgelegd in het Kinderrechtenverdrag. Door een tekort aan pleeggezinnen lukt dit echter vaak niet en worden veel kinderen in een pleeggezin geplaatst dat verschilt van hun gezin van herkomst als het gaat om cultuur, religie en/of etniciteit (artikel 20 IVRK). Met name bij bestandspleegzorg is deze kans groter. Het is niet bekend hoe vaak dit precies voorkomt, omdat culturele en religieuze kenmerken niet centraal geregistreerd worden vanwege privacy-redenen.

Het is altijd noodzakelijk om aandacht te hebben voor identiteitsvorming en vragen die daarbij horen. Wanneer er sprake is van een transculturele, transreligieuze of transetnische plaatsing (Van Bergen et al., 2020; Degener, 2021) betekent dit voor het kind een nog grotere verandering in diens leven. Die kan leiden tot verwarring en identiteitsvragen (bij wie hoor ik?/ wie ben ik zelf?). Een kind moet zich bewegen tussen verschillende werelden, met andere rituelen, verwachtingen en gewoontes (zie tabel Ontwikkelingstaken voor kinderen in pleegzorg). Het kind moet zich er sowieso al toe verhouden om op te groeien in een pleeggezin, wat voor de meeste leeftijdsgenoten niet het geval is. Het kind bevindt zich vaak in een uitzonderingspositie. Dit is nog complexer als een kind tot een minderheidsgroepering behoort (Bartelink et al., 2023; Degener, 2021). Degener wijst erop dat een positieve identiteit belangrijk is voor mensen (2023). In de identiteitsontwikkeling is niet alleen binding (‘commitment’) belangrijk, maar ook het kunnen verkennen van alternatieven (‘exploratie’), zeker in de adolescentie (Erikson, 1968; Van de Koot et al., 2023).

Samenwerken en manoeuvreren 

Het is belangrijk dat pleegouders en ouders samenwerken, zodat het kind gelegenheid krijgt om een positieve identiteit te ontwikkelen. Het pleeggezin heeft een bepaalde cultuur, religie, etniciteit of levensovertuiging, waar het kind in het dagelijks leven het meeste mee te maken heeft. Het is belangrijk dat je als pleegzorgbegeleider met het gezin van herkomst en het pleeggezin nagaat hoe het kind kennis kan maken met die waarden van het gezin van herkomst. Dat gaat immers niet vanzelf. Van jou als pleegzorgbegeleider vraagt dit dat je basiskennis hebt van identiteitsvorming en goed uitvraagt wat het meest belangrijk is voor het kind, de ouders en de pleegouders. Dat je het gesprek met alle betrokkenen op gang brengt en tussen alle wensen manoeuvreert. Zo krijgt het kind ondersteuning in de identiteitsvorming (Van de Koot et al., 2023).

Dit kan manoeuvreren zijn, omdat iedereen eigen rechten heeft. Pleegouders mogen volgens hun eigen levensbeschouwing leven, de voorkeuren van ouders moeten meewegen en het kind heeft recht op vrijheid van religie en op veiligheid (artikel 14 en 19 IVRK; Hodge, 2022; Van der Zon, 2020). Toch is het belangrijk om identiteitsvorming bij elk kind bespreekbaar te maken en te zorgen dat er ook op dit vlak een goede samenwerking tussen ouders en pleegouders tot stand komt (zie hoofdstuk 5; Van de Koot et al, 2023). Kinderen hebben ruimte nodig om zich te kunnen identificeren met verschillende identiteiten, en hierin veranderingen door te kunnen maken (Bartelink et al., 2023). Degener geeft suggesties hoe een pleegzorgbegeleider het kind, pleeggezin en ouders hierin kan begeleiden in de Handreiking Identiteitsversterkend Handelen (2023).

3.1.2. Ontwikkeling vaststellen en volgen

Toelichting op de aanbevelingen

  • Spreek minimaal drie keer per jaar apart met het kind (zonder pleegouders). Zorg ervoor dat de gesprekken van goede kwaliteit zijn.

  • Breng de ontwikkeling van het pleegkind in kaart.

  • Zorg als organisatie dat pleegzorgbegeleiders hiervoor voldoende tijd hebben.

Het is belangrijk dat je goede kwalitatieve gesprekken voert met het kind. In deze gesprekken bouw je aan een duurzame vertrouwensrelatie. Je sluit aan bij de leefwereld van het kind en wat het kind nodig heeft. Je hebt oprechte interesse hoe het met het kind gaat en waar het kind zich mee bezig houdt en hoe het kind zich ontwikkelt. Je bespreekt hoe het gaat in het pleeggezin en of het kind zich veilig voelt. Meer over veiligheid lees je bij Veiligheid in pleeggezinnen

Zorg ervoor dat het gesprek van goede kwaliteit is, zodat je een inschatting kan maken hoe het met het kind gaat. Maak aan het kind duidelijk wie je bent en wat je komt doen. Sluit nauw aan bij de behoeften van het kind. Zorg voor rust en een veilige sfeer. Vraag naar de eigen mening van het kind, luister goed en laat aan het kind weten wat je hebt gehoord.  Vraag door en koppel terug wat met de zienswijze van het kind wordt gedaan. Indien van toepassing, communiceer duidelijk wat je met de informatie van het kind gaat doen en hoe het proces verder zal verlopen.  

Deze gesprekken kunnen je helpen o.a. om de ontwikkeling van het kind in kaart te brengen. De ontwikkeling breng je in principe aan het begin van de pleegzorgplaatsing (bij of net na aanmelding) in kaart. Daarna ieder halfjaar bij kinderen van 0 tot 3 jaar en ieder jaar bij kinderen ouder dan 3 jaar. Daarnaast kan het nodig zijn om de ontwikkeling van het kind tussendoor in kaart te brengen. Bijvoorbeeld als ouders, pleegouders, docenten, pleegzorgbegeleider of andere jeugdprofessionals zich zorgen maken over deze ontwikkeling (American Academy of Pediatrics, 1994).

Ontwikkeling vaststellen en volgen

Zijn er specifieke vragen over de ontwikkeling van kinderen, dan kan het nodig zijn om specifiekere instrumenten in te zetten – in overleg met een hiervoor gekwalificeerde gedragswetenschapper. Denk bijvoorbeeld aan vragenlijsten. Er zijn verschillende soorten vragenlijsten: lijsten met normgroepen om na te gaan of het kind zich binnen de normale range ontwikkelt, screeningslijsten bij vermoedens van problemen, en vragenlijsten om specifieker vast te stellen of er problemen zijn. Voorbeelden van dergelijke vragenlijsten vind je bij Verdieping en onderbouwing hieronder (De Baat et al., 2015).

Er is in Nederland geen onderzoek gedaan waaruit blijkt hoe je de ontwikkeling van kinderen het best kunt volgen. Het lijkt in ieder geval van belang om een praktische methode te kiezen die je kunt uitvoeren tijdens de begeleiding van (pleeg)ouders en kinderen. Een belangrijke randvoorwaarde is dat je als pleegzorgbegeleider voldoende tijd beschikbaar hebt om de ontwikkeling van kinderen te kunnen volgen. Met de Monitor Pleegzorg kun je de ontwikkeling van kinderen volgen en risico’s op een voortijdige afbreking (breakdown) signaleren. Dit hulpmiddel is ontwikkeld door het Nederlands Jeugdinstituut en vijf pleegzorgaanbieders.

Van ontwikkelingstaken naar opvoedingstaken

De herzieningswerkgroep 2024 vindt het belangrijk dat je de in beeld gebrachte ontwikkelingstaken van het kind vertaalt naar opvoedingstaken van pleegouders (zie ook de publicatie Opgroeien en opvoeden, Ince & Kalthoff, 2020). Hier horen in ieder geval de volgende opvoedingstaken bij (Sanders, 2012): 

  • Een veilige en stimulerende omgeving. Een veilige omgeving laat kinderen ongestoord ontdekken, terwijl opvoeders weinig hoeven te verbieden. In een stimulerende omgeving vervelen kinderen zich niet zo snel en is er weinig kans dat ze negatief aandacht vragen en zich vervelend gedragen.
  • Positieve ondersteuning. Met complimenten en aanmoediging motiveren opvoeders kinderen om nieuwe dingen te leren. Daarmee stimuleren ze hun zelfredzaamheid. Bij moeilijkheden bieden ze ondersteuning.
  • Aansprekende discipline. Kinderen ontwikkelen zich het best in een duidelijke en voorspelbare omgeving. Dat betekent dat opvoeders duidelijke regels stellen, op een heldere manier instructies geven en snel reageren als het kind ongewenst gedrag vertoont.
  • Realistische verwachtingen. Ieder kind is uniek en ontwikkelt zich in een eigen tempo. Als opvoeders te veel van het kind verwachten of willen dat het kind meteen alles goed doet, kunnen er problemen ontstaan. Ieder kind maakt fouten en meestal niet met opzet.
  • Goede zelfzorg. Geen enkele opvoeder is perfect. Iedereen leert opvoeden met vallen en opstaan. Als opvoeders goed voor zichzelf zorgen en genoeg rust en ontspanning krijgen, kunnen ze makkelijker geduldig, consequent en beschikbaar zijn voor de kinderen (zie bijv. Siegel & Payne Bryson, 2021).

Daarnaast is het belangrijk dat je als pleegzorgbegeleider zorgt dat er een immediate story komt. Daarmee maak je het kind duidelijk waarom die niet meer thuis kan wonen en wanneer en door wie welke keuzes zijn gemaakt. Dit vermindert het risico op de ontwikkeling van een trauma. 

Met competentielijsten kun je als pleegzorgbegeleider de ontwikkeling van een kind in kaart brengen. Voor een objectievere toets of een ontwikkeling nog normaal is, is het nodig om gebruik te maken van vragenlijsten met normgroepen. Er zijn alleen nauwelijks gestandaardiseerde

vragenlijsten beschikbaar voor de jeugdhulp en jeugdbescherming om de normale ontwikkeling van kinderen op verschillende ontwikkelingsgebieden te volgen. 

TVA

De TVA (Taken en Vaardigheden van Adolescenten) kun je inzetten voor jongeren van 12-21 jaar. De TVA is een vragenlijst waarmee je het vaardig functioneren van jongeren in hun dagelijkse leefomgeving in kaart kunt brengen. Deze wordt momenteel gebruikt in de residentiële jeugdhulp.

Vragenlijsten

Voor kinderen onder de 12 jaar zijn er alleen voorbeelden uit kinderopvang, onderwijs en jeugdgezondheidszorg van vragenlijsten met normgroepen die zich richten op verschillende ontwikkelingsgebieden. Hieronder beschrijven we een aantal voorbeelden:

  • Ontwikkelingsvolgmodel (OVM): Het Ontwikkelingsvolgmodel is een longitudinaal observatiesysteem waarin allerlei aspecten van de kinderlijke ontwikkeling zijn uitgewerkt in de vorm van ontwikkelingslijnen met ontwikkelingsfasen per halfjaar. Het instrument kent drie versies en is gericht op verschillende doelgroepen: zeer jonge kinderen (0-4 jaar), jonge kinderen (4-7 jaar) en midden- en bovenbouw van het basisonderwijs (8-13 jaar).
  • Bayley Scales of Infant Development Nederlandse versie (BSID-II-NL): Deze test is gericht op het vaststellen van de algemene mentale en motorische ontwikkeling van jonge kinderen van 1-42 maanden. En op het signaleren van achterstanden hierin. Het instrument bestaat uit drie schalen: de Mentale schaal, de Motorische schaal en de Gedragsobservatieschaal.
  • Pravoo Peutervolg- en hulpsysteem: Dit is een instrument om de ontwikkeling van peuters van 2-4 jaar te volgen en om, indien nodig, aansluitende begeleiding te bieden.
  • Ze laten het je zien... ze laten het je horen: Dit instrument heet ook wel Kijklijst Peuters en is bedoeld om de ontwikkeling van peuters in kaart te brengen. Doel van het observatieprogramma is om peuterleiders te ondersteunen bij het observeren van jonge risicokinderen en bij een gerichte aanpak.
  • Kijk! (groep 1 en 2): Kijk! is een observatie-instrument om het ontwikkelingsverloop van jonge kinderen op diverse ontwikkelingsgebieden over langere tijd te observeren en registreren. Naar Kijk! groep 1 en 2 is validerings- en normeringsonderzoek gedaan.
  • CBSK en CBSADe Competentie Belevingsschaal voor Kinderen (CBSK) en de Competentie Belevingsschaal voor Adolescenten (CBSA) zijn zelfrapportagevragenlijsten voor respectievelijk 8-12-jarigen en 12-18-jarigen. De vragenlijsten zijn bedoeld om een indruk te krijgen van de competenties op een aantal specifieke gebieden (schoolvaardigheden, sociale acceptatie, sportieve vaardigheden, fysieke verschijning, gedragshouding) en van het globaal gevoel van eigenwaarde.

Screenen van problemen

Bij een vermoeden van problemen kun je meer specifieke screeningslijsten inzetten. Er is in Nederland één set van vragenlijsten beschikbaar die zich specifiek richt op de pleegzorg: het Pedagogisch Signaleringsinstrumentarium (PSI) (Weterings & Van den Bergh, 2009).

PSI

Het PSI is sinds 1990 ontwikkeld aan de Universiteit Leiden (afdeling Orthopedagogiek) door Weterings en van den Bergh. Het is ontwikkeld voor hulpverlening aan problematische opvoedingssituaties in het gezin, voor ouders met een uithuisgeplaatst kind en voor het pleeggezin. Het bestaat uit 6 tot 15 half gestructureerde vragenlijsten, die je als pleegzorgbegeleider afneemt bij de (pleeg)ouders en het kind thuis. De antwoorden op de – vaste – vragen kunnen de (pleeg)ouders in eigen bewoordingen formuleren. Door deze diagnostische interviews komt een bewustwordingsproces op gang en voelen de (pleeg)ouders zich gehoord. De informatie wordt door een van het gezin onafhankelijke gedragsdeskundige gewogen en gescoord (0 of 1) op het zogenaamde wegingsformulier. Dit vanuit de vraag: Is hier sprake van een ontwikkelingsprobleem of een probleem in het pedagogisch handelen? De scores geven de omvang van de problematiek aan. De informatie – die je als begeleider letterlijk moet opschrijven – geeft de inhoud en de beleving daarvan door de (pleeg)ouders. Zo kan een Taxatie van de Opvoedingssituatie gemaakt worden. Het PSI is genormeerd op basis van tweehonderd ‘gewone’ Nederlandse gezinnen. Het PSI als geheel kan niet worden gevalideerd. De belangrijkste lijsten zijn wel gevalideerd (waaronder: Aandachtsveldenlijst voor het gedrag van het kind, de Gehechtheids- en Opvoedingsrelatie en de Ontwikkeling van het kind) (Weterings & Van den Bergh, 2003; Sitskoorn, 2011; Huijg, 2010; De Clerck, 2009; Kizilyazi, 2009).

Screenen op gedragsproblemen

Voorbeelden van gevalideerde en gestandaardiseerde screeningsinstrumenten voor gedragsproblemen die kunnen worden gescoord door de signalerende persoon, zijn om te beginnen de Achenbach System of Empirically Based Assessment (ASEBA) (Achenbach & Rescorla, 2000, 2001, in Matthys, 2011) – deze bestaat uit de CBCL, de C-TRF en de YSR – en verder de Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) en de Sociaal Emotionele Vragenlijst (SEV). Deze kunnen worden afgenomen en geanalyseerd door een bevoegde en getrainde professional.

Vaststellen van specifieke problemen

Pleegkinderen hebben doorgaans extra zorg nodig voor specifieke problemen. Dat kunnen uiteenlopende problemen zijn, van hechtingsproblemen tot gedragsproblemen, stemmingswisselingen en trauma’s. Om zulke problemen te kunnen vaststellen, is nader diagnostisch onderzoek nodig. Meer informatie over deze diagnostiek vind je in andere richtlijnen.

3.1.3. Bijdragen ontwikkeling van het kind

Toelichting op de aanbeveling

  • Zorg dat de ouder zo goed mogelijk kan blijven bijdragen aan de ontwikkeling van het kind. 

Creëer voorwaarden die eraan bijdragen dat ouders de plaatsing verdragen. Geef erkenning voor rouw en verdriet en aandacht voor wat goed gaat. Wees helder over het perspectief en wat nodig is voor eventuele terugplaatsing. 

Het is nodig om ouders mee te nemen in de specifieke opvoedingsbehoeften van kinderen voor contactmomenten en voor een eventuele terugkeer naar huis. Daarnaast kan het veel invloed op een kind hebben als het met een ouder niet goed gaat. Hulp aan ouders voor hun eigen problematiek kan het kind helpen in de eigen ontwikkeling. Datzelfde geldt voor psycho-educatie aan het kind over de problematiek van de ouder. Gebruik bij psychische problematiek of verslavingsproblematiek bijvoorbeeld informatie uit de richtlijn KOPP/KOV of van het Trimbos Instituut.

3.1.4. Begeleidingsbehoeften

Toelichting op de aanbeveling

  • Leg in een pleegouderbegeleidingsplan vast welke begeleidingsbehoeften pleegouders en eigen kinderen hebben, zowel qua opvoedingsvaardigheden van de pleegouders als qua draagkracht van het pleeggezin. Zorg dat ze de benodigde begeleiding ook krijgen. 

Goede begeleiding van pleegouders is een belangrijke voorwaarde om een plaatsing te laten slagen. De handleiding Pleegzorg begeleiden is een vak (Breg et al., 2020) beschrijft dit uitvoerig. De juiste begeleiding door de pleegzorgbegeleider en een goede werkrelatie met de pleegzorgorganisatie hebben een positief effect op de tevredenheid en stressbeleving van pleegouders. Bovendien zijn het cruciale factoren om beëindiging van het pleegouderschap te voorkomen en een breakdown tegen te gaan (Van Holen et al., 2010; Social Care Institute of Excellence, 2004).

Ondersteun bij gewone én specifieke opvoeding

De zorg voor kinderen in pleegzorg begint altijd met ‘gewoon’ opvoeden: ‘herstel van het gewone leven’ (Ter Horst, 1999). Ieder kind is immers gebaat bij (pleeg)ouders die aandacht geven, verzorgen en beschermen, gewenst gedrag aanmoedigen en duidelijke grenzen stellen. Zeker als pleegouders zelf geen kinderen hebben, kunnen ze behoefte hebben aan begeleiding bij basale opvoedvaardigheden. Dit naast de vaardigheid om onderliggende trauma’s te herkennen en hier op de juiste manier op te reageren. 

In dat licht is ondersteuning belangrijk bij de ‘specifieke’ opvoeding van dit kind – bijvoorbeeld bij gedragsproblemen, gehechtheidsproblematiek, identiteitsverwarring, een (licht) verstandelijke beperking en/of een trauma. Als pleegzorgbegeleider bied je de pleegouders opvoedingsondersteuning (of je schakelt deze in) bij de gewone én specifieke opvoeding van kinderen. Het is goed om pleegouders te wijzen op de mogelijkheden voor ondersteuning vanuit het lokale team. Als pleegouders zelf besluiten het lokale team in te schakelen, moeten ze altijd in overleggen met jou als pleegzorgbegeleider. De medewerker van het lokale team wijst de pleegouders hierop en neemt met toestemming contact met je op. Schakel bij (vermoedens van) trauma een specialist binnen de organisatie in of betrek de ggz erbij. Ook hier is afstemming over het (te kiezen) traject noodzakelijk.

Begeleid pleegouders en school

Pleegouders hebben in grote lijnen drie begeleidingsbehoeften rond de ontwikkeling van kinderen die in hun gezin verblijven: achtergrondinformatie over het kind, ondersteuning bij het opbouwen van een gehechtheidsrelatie en ondersteuning bij de specifieke opvoeding van kinderen met (gedrags-)problemen. Verder vraagt ook het opvoeden van een kind met een trauma of met een (licht) verstandelijke beperking om extra kennis en vaardigheden. Het is belangrijk om als pleegzorgbegeleider de pleegouders hierin te volgen en te begeleiden, bijvoorbeeld met een pleegouder-/pleeggezinbegeleidingsplan. Specifieke opvoeding kan namelijk emotioneel en relationeel veel vragen van pleegouders. 

Naast de pleegouders kan ook de school behoefte hebben aan ondersteuning of begeleiding bij de ontwikkeling van kinderen in pleegzorg. Neem als pleegzorgbegeleider in overleg met de (pleeg)ouders contact op met de school en vraag de pleegouders in contact met school ook alert te zijn op die ondersteuningsbehoefte. Naast de ondersteuning die je als pleegzorgbegeleider kunt bieden, zijn er mogelijkheden voor ondersteuning met passend onderwijs. Lees hierover meer hieronder in de Verdieping en onderbouwing.

Ondersteuning bij de specifieke opvoeding van kinderen in pleegzorg met (gedrags-)problemen

Pleegzorgbegeleiders kunnen pleegouders laten zien hoe zij het gedrag van kinderen kunnen veranderen en hen daarbij kunnen helpen. Patterson en collega’s beschrijven in het Social Interactional Learning model (SIL-model) – de basis van de interventie PMTO (Parent Management Training Oregon) – vijf effectieve en vier ondersteunende opvoedingsstrategieën (Patterson, 2005, in Van Leeuwen & Albrecht, 2008). Het is belangrijk om deze strategieën af te stemmen op het ontwikkelingsniveau van kinderen in pleegzorg. Recentere adviezen over het opvoeden van kinderen met hechtingstrauma is te vinden in het boek Integratief opvoeden (Wesselman et al., 2021). In Vlaanderen zijn recent opvoedmodules voor pleegouders ontwikkeld, die handvatten bieden in het opvoeden van kinderen met een trauma (zie aanbevolen interventies). 

Ondersteuning bij het opbouwen van een gehechtheidsrelatie

Opgroeien in een pleeggezin geeft aan kinderen de kans om nieuwe hechtingservaringen op te doen in de relatie met de pleegouder(s). Wanneer het pleegouders lukt om stap voor stap een affectieve relatie aan te gaan met een kind, kan het kind opnieuw leren zich toe te vertrouwen aan een volwassene (Bowlby, 1988, Juffer 2010). De pleegzorgbegeleider kan de pleegouders het belang van een veilige gehechtheid uitleggen (psycho-educatie) en hun adviseren hoe zij een veilige gehechtheidsrelatie met het kind kunnen stimuleren. Meer informatie hierover staat in de richtlijn Problematische gehechtheidDe pleegzorgbegeleider kan met behulp van deze richtlijn inschatten wanneer meer nodig is en deze hulp inschakelen. 

Ondersteuning bij het opvoeden van een kind met een trauma

Naast specialistische hulp is het voor een kind met een trauma belangrijk om extra aandacht en ondersteuning te geven in de dagelijkse leefomgeving. Daarbij dient onderscheid gemaakt te worden tussen enkelvoudig trauma en (complex) meervoudig trauma. Zo kan bij misbruik of mishandeling sprake zijn van complex meervoudige relationeel trauma (zie de richtlijn Traumagerelateerde problemen). 

Kennis bij pleegouders over trauma en traumasensitief opvoeden is zeer belangrijk. Zo leren de pleegouders realistische verwachtingen te hebben over het zorgen voor een kind met een trauma (Struik, 2010). Bath (2008) en van Grisven en Holdorp (2015) achten de volgende vijf elementen bij een traumasensitieve opvoeding van belang:

  • Een veilige omgeving creëren. Het is voor deze kinderen belangrijk dat ze zoveel mogelijk invloed en controle kunnen uitoefenen over hun omstandigheden.
  • Positieve relaties met anderen stimuleren. Deze kinderen hebben hier vaak moeite mee. Contact versterken en stimuleren met belangrijke personen uit het bestaande of nieuwe netwerk zijn hierbij erg belangrijk.
  • Emotie- en impulsregulatie stimuleren. Als kinderen heel erg boos, verdrietig of angstig worden, hebben zij niet enkel begrenzing nodig, maar ook hulp om weer in rustiger vaarwater te komen. Bij begrenzen is het belangrijk om emotioneel verbonden te zijn en blijven. Dit wordt bijvoorbeeld geconcretiseerd in de methode van ‘Verbindend gezag’: als opvoeder een kalm brein houden, mentaliseren en achter het gedrag kijken. Het is belangrijk dat pleegouders zich oefenen in ‘sensitief begrenzen’.
  • Ouders betrekken. Zoek naar manieren waarop ouders een bijdrage kunnen leveren aan het herstel van het kind, als direct contact nog moeilijk is. Dit geldt ook voor andere belangrijke personen uit het bestaande netwerk van het kind. Hierbij is het belangrijk om met ouders en/of belangrijke personen uit het bestaande netwerk een verhaal over de uithuisplaatsing en pleegzorgplaatsing te maken om kinderen te ontschuldigen.
  • Psycho-educatie. Door uitleg over de reacties die bij het trauma horen, kunnen kinderen gaan inzien dat de schuld buiten henzelf ligt en dat negatieve reacties van hen op anderen te maken hebben met het verleden en niet met het hier en nu.

Volgens professionals uit de praktijk vraagt het opvoeden van een kind met een trauma van pleegouders ook stabiliteit, doorzettingsvermogen, kunnen reflecteren op eigen handelen en emoties, en het hebben van geduld, rust en een lange adem. Recentere praktische handvatten voor opvoeders zijn beschreven in het boek Zorgen voor getraumatiseerde kinderen (Coppens & Van Kregten, 2018). 

Ondersteuning bij het opvoeden van een kind met een (licht) verstandelijke beperking 

Pleegzorg voor kinderen met een (licht) verstandelijke beperking is anders dan voor kinderen zonder beperking. De ontwikkeling van kinderen met een beperking verloopt meestal op een aantal aspecten trager dan bij andere kinderen. Om ervoor te zorgen dat kinderen met een beperking zich zo goed mogelijk ontwikkelen moet er vaak geoefend en herhaald worden. Elk kind is echter weer anders. Hóe anders hangt af van de beperking.

Kinderen met een verstandelijke beperking hebben vaak meer structuur nodig en kunnen minder dingen aan dan hun leeftijdgenoten. Herhaling is vaak erg belangrijk voor deze kinderen. De pleegzorgbegeleider kan de pleegouders ondersteunen bij het opvoeden van een kind met een (licht) verstandelijke beperking, bijvoorbeeld in de vorm van psycho-educatie. Meer informatie over effectieve interventies voor kinderen met een (licht) verstandelijke beperking staat in de richtlijn Effectieve interventies LVB (De Wit et al., 2023).

3.1.5. Interventies

Toelichting op de aanbevelingen

  • Zet effectieve interventies in als kinderen specifieke problemen hebben waarvoor hulp nodig is en betrek waar nodig het lokale team of specialistische kennis (bijvoorbeeld ggz).

  • Heb oog voor traumasensitief opvoeden. Bekijk daarnaast de mogelijkheden tot het maken van een levensverhaal met bijvoorbeeld de methode 'Words and pictures'.

Naast reguliere ondersteuning aan pleeggezinnen kan het nodig zijn om bij specifieke problemen extra interventies in te zetten bij kinderen of hun pleegouders. Voor verschillende problemen zijn interventies beschikbaar die specifiek gericht zijn op kinderen in pleegzorg, of die daarop worden onderzocht. Veel van deze interventies zijn opgenomen in de Databank Effectieve jeugdinterventies.

Hechtingsproblematiek

Interventies die zich richten op hechtingsproblematiek. Deze zijn ook onderzocht bij pleegkinderen:

Daarnaast zijn er interventies die zich eveneens richten op de behandeling van hechtingsproblematiek, maar niet onderzocht zijn in de pleegzorg. Deze interventies zijn terug te vinden in de richtlijn Problematische gehechtheid

Professionals uit de praktijk noemen ook:

  • Theraplay
  • Sherborne Samenspel
  • Video Interactie Begeleiding (VIB)
  • Pleegouders versterken in opvoeden (PVO), Pleegouders versterken in opvoeden en sociaal-interactie-model (PVO-SIM) en Pleegouders versterken in opvoeden en geweldloos verzet (PVO-GV) zijn Vlaamse methoden, specifiek voor pleegzorg, die de Vrije Universiteit Brussel beschrijft en onderzoekt. 

Deze staan niet in de Databank Effectieve jeugdinterventies. 

Traumagerelateerde problemen

Interventies die zich richten op traumagerelateerde problemen. Deze zijn ook onderzocht bij pleegkinderen: 

Daarnaast zijn er interventies die zich eveneens richten traumagerelateerde problemen, maar niet onderzocht zijn in de pleegzorg (zie de richtlijn Traumagerelateerde problemen). Voorbeelden hiervan zijn Words and Pictures, WRITEjunior, Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR) en Tem je draak.

In aanvulling op de richtlijn Pleegzorg is het belangrijk om bij specifieke problemen van kinderen de aanbevelingen te volgen uit de richtlijn voor die problematiek (zie richtlijn Problematische gehechtheid en/of richtlijn richtlijn Traumagerelateerde problemen) of de  richtlijn Effectieve Interventies LVB van het Kenniscentrum LVB (De Wit, Moonen & Douma, 2023).

3.1.6. Beschermende factoren en risicofactoren

Toelichting op de aanbevelingen

  • Bespreek met pleegouders welke factoren de ontwikkeling van kinderen kunnen beschermen: een autoritatieve opvoedingsstijl (gekenmerkt door liefdevolle ondersteuning en controle op het doen en laten van kinderen), goed grenzen kunnen stellen en tegelijkertijd emotioneel verbonden blijven (sensitief-responsief), een traumasensitieve benadering en een steunend sociaal netwerk hebben.

  • Leg kinderen op verschillende leeftijden uit waarom ze niet meer thuis kunnen wonen en geef ze de ruimte om hun gevoelens hierover te uiten. Laat je uitleg aansluiten op de leeftijd en het ontwikkelingsniveau. Ook een levensboek kan een kind hierbij helpen. Geef psycho-educatie over problematiek van de ouders en de eventuele eigen problematiek. 

  • Werk er met ouders naartoe dat zij hun kind ontschuldigen en expliciet toestemming geven om in het pleeggezin te wonen, bijvoorbeeld door ‘Words and Pictures’ in te zetten.

  • Zet als pleegzorgbegeleider de volgende technieken in voor het begeleiden van pleegouders bij het stimuleren van de ontwikkeling van het kind: luisteren en doorvragen om het gedrag van het kind te begrijpen, benoemen wat goed gaat, opvoedingsstrategieën leren om het gedrag van het kind te veranderen, aandacht besteden aan de pleegouder als persoon, en pleegouders motiveren om open te staan voor interventies.

  • Erken dat ouders hun kind het beste kennen en nodig hen uit om hun ervaring te delen en om samen vorm te geven aan gedeeld opvoederschap.

  • Erken deskundigheid van de pleegouder, sta toe dat de pleegouder uit ervaring spreekt en neem deze serieus.

Diverse factoren beïnvloeden de ontwikkeling van kinderen in een pleeggezin (zie bijvoorbeeld Social Care Institute of Excellence, 2004; Van den Bergh & Weterings, 2010b; Vanderfaeillie et al., 2012). Aan de ene kant zijn er beschermende factoren. Die kunnen een positieve invloed hebben op de ontwikkeling van kinderen in pleegzorg. Aan de andere kant zijn er ook risicofactoren. Die hebben mogelijk een negatieve invloed op de ontwikkeling van kinderen in pleegzorg.

Beschermende factoren

  • Op een voor het kind aanvaardbare termijn beslissen of het kind al dan niet teruggeplaatst wordt bij de ouders. Zie hiervoor de richtlijn Uithuisplaatsing en terugplaatsing. Wat de uitkomst ook is, een beslissing biedt zekerheid aan het kind, de ouders en de pleegouders. Daarbij is het voor kinderen belangrijk dat hun mening meeweegt in de besluitvorming. Koppel bij de uitleg over de beslissing terug wat je met hun input hebt gedaan (artikel 12 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, IVRK).
  • Een zorgvuldige voorbereiding en start van de plaatsing. Onder andere door het kind informatie te geven over de plaatsing, en door diens mening serieus te nemen (artikel 12 en 17 IVRK).
  • Een stabiele plaatsing. Dit zorgt voor continuïteit en voorspelbaarheid voor kinderen. Beperk overplaatsingen zoveel mogelijk, signaleer risico’s op een voortijdige beëindiging van de plaatsing tijdig en pak deze aan. Jonge kinderen in pleegzorg, kinderen met geen/weinig gedragsproblemen en kinderen die nog niet veel overplaatsingen hebben meegemaakt, lopen een kleiner risico op voortijdige beëindiging van de plaatsing.
  • Goede samenwerking tussen ouders en pleegouders, met wederzijds respect en erkenning voor ieders onmisbare rol.
  • Ouders die de plaatsing verdragen.
  • Pleegouders die erop gericht zijn om goed samen te werken met ouders.
  • Pleegouders met een autoritatieve opvoedingsstijl. Dat wil zeggen dat de pleegouders ondersteuning bieden en controle uitoefenen over het doen en laten van kinderen.
  • Pleegouders die goed grenzen kunnen stellen.
  • Pleegouders die kennis hebben over trauma en daardoor achter het gedrag van een kind kunnen kijken. Dit noemen we ook wel een traumasensitieve opvoeding.
  • Pleegouders die steun krijgen uit hun sociale omgeving bij het opvoeden van de kinderen die in hun gezin verblijven.
  • Pleegouders die zichzelf goed kennen, kunnen reflecteren op hun handelen en op gedrag van kinderen dat veel bij hen oproept.
  • Aanwezigheid van personen die belangrijk zijn voor kinderen.
  • Een veilige gehechtheidsrelatie tussen kinderen en pleegouders. Pleegouders kunnen zo’n relatie opbouwen als ze de behoeften van kinderen die in hun gezin verblijven aanvoelen en daar adequaat op reageren (sensitieve responsiviteit), en voor de jeugdige zorgen alsof het hun eigen kind is.
  • Veiligheid binnen het pleeggezin. Daarbij krijgen kinderen liefde, warmte, geborgenheid, steun, ontwikkelingsruimte en grenzen.
  • Cultuursensitief opvoeden. Daarbij is ruimte voor de identiteit van het pleegkind en diens ouders/familie.

Risicofactoren

  • Uitstellen van de beslissing of kinderen wel of niet teruggeplaatst worden bij de ouders. Dit zorgt voor onduidelijkheid bij kinderen, ouders en pleegouders. Daarnaast zorgt het voor bestaansonzekerheid bij kinderen en belemmert het pleegouders om zich voor het kind open te stellen en een veilige gehechtheidsrelatie op te bouwen.
  • Een voortijdige beëindiging van een plaatsing of een overplaatsing van kinderen. Dit kan leiden tot meer internaliserend en externaliserend probleemgedrag (verstorend opvoedgedrag). Oudere kinderen, kinderen met ernstige gedragsproblemen (vaak veroorzaakt door trauma) en kinderen met een geschiedenis van veel overplaatsingen lopen een groter risico op voortijdige beëindiging van de plaatsing.
  • Conflicten tussen ouders en pleegouders.
  • Pleegouders die zelf (te veel) onverwerkt trauma met zich meedragen. Dat kan in het dagelijks leven hun eigen angst, pijn en boosheid triggeren, waardoor ze onvoldoende kunnen aansluiten bij de behoeften van het kind.
  • Pleegouders die veel belasting ervaren bij het opvoeden van de kinderen die in hun gezin verblijven.
  • Niet op het kind afgestemde opvoedingsstrategieën van pleegouders. Dit kan leiden tot meer probleemgedrag bij kinderen.
  • Ziekte van (één van) de ouder(s) of andere problemen waardoor het met een of beide ouders niet goed gaat.
  • Een onveilige gehechtheidsrelatie tussen kinderen en pleegouders.
  • Eigen kinderen van pleegouders die het niet met de plaatsing eens zijn of hier moeite mee hebben.

Onduidelijke factor: plaatsing in netwerk- of bestandspleeggezin 

Plaatsing in een netwerkgezin of juist in een bestandsgezin is niet op voorhand te typeren als beschermende of risicofactor. Netwerkpleegzorg heeft de voorkeur, maar beide vormen van pleegzorg hebben hun eigen sterke en zwakke kanten. Zo hebben netwerkpleeggezinnen vaak een gedeelde achtergrond met kinderen die bij hen verblijven en hebben ze al een band. Maar netwerkgezinnen hebben vaak ook extra relationele (intergenerationele) bagage. Een bestandspleeggezin is nieuw voor het kind en diens ouders, maar het is wel zorgvuldig gekozen bij de opvoedingsbehoeften van het kind en sluit zo mogelijk aan bij de wensen van kind en ouders. Aan de andere kant is er soms een kloof tussen de achtergrond van het gezin waar het kind uit komt en het pleeggezin. Dat kan dilemma's opleveren.

Bij de keuze tussen een netwerkgezin en een pleeggezin is het belang van het kind de eerste overweging (artikel 3 IVRK). Daarvoor hou je rekening met de rangorde in alternatieve zorg (artikel 20 IVRK, Richtlijnen voor Alternatieve Zorg voor Kinderen). Kijk eerst of het kind terechtkan bij familie, en daarna naar een vervangend gezin. Per kind weeg je af waar dit specifieke kind behoefte aan heeft. Voor het kiezen of screenen van een netwerkpleeggezin is een goede analyse nodig van de aard van de relatie tussen ouders en pleegouders. Tijdens de plaatsing is extra aandacht nodig voor deze relatie en het omvattende familiesysteem. Hierbij adviseren we een Eigen Kracht-conferentie.

Kennis uit de praktijk 

In de praktijk blijkt dat ook de volgende beschermende factoren van belang zijn voor het welzijn van het kind: 

Het netwerk van het kind

Het bestaande netwerk van het kind blijft behouden en vormt samen met het nieuwe netwerk een krachtig systeem voor het kind. Denk hierbij aan het aanboren en stimuleren van de eigen kracht van het netwerk, zowel het bredere familienetwerk (‘extended family’) als andere belangrijke volwassenen voor het kind – zoals een leerkracht, trainer, ouders van vriendjes en vriendinnetjes. Het kind heeft het recht op regelmatig en rechtstreeks contact met diens ouders en broers/zussen. Breng regelmatig het netwerk in kaart. Zie ook Samenwerking.

Relationele stabiliteit

Relationele stabiliteit na 18-jarige leeftijd is een beschermende factor voor de ontwikkeling van jongvolwassenen. Wettelijk kunnen jongeren tot 21 jaar in hun pleeggezin blijven wonen – en met een duidelijke zorgvraag tot 23 jaar.

Toestemming

Ouders ontschuldigen hun kind expliciet en geven toestemming om in het pleeggezin te wonen.

Verdragen 

Ouders verdragen de plaatsing. Bevorder dit als jeugdprofessional door de ouders een rol te laten behouden in het leven van hun kind (contact, bijvoorbeeld bij belangrijke gebeurtenissen), door de ouders te begeleiden in hun rouwproces en het vormgeven van hun nieuwe rol, en door de pleegouders te ondersteunen bij het faciliteren van een blijvende rol voor de ouders in het leven van hun kind. Kinderen hebben daar ook recht op. Randvoorwaarden die ouders helpen om de plaatsing te verdragen zijn: helderheid over het perspectief, gedeelde besluitvorming en duidelijke afspraken over de doelen, termijnen en voorwaarden voor terugplaatsing. Daarnaast is het belangrijk dat je als zorgteam veel aandacht hebt voor ieders positie en bijdrage.

Uitleg aan het kind

Kinderen uitleggen waarom ze niet meer thuis kunnen wonen, en eventueel waarom ouders hier verdrietig of boos over zijn. Kinderen hebben het recht om te weten welke beslissingen volwassenen over hen nemen en waarom. Ook voor kinderen jonger dan 12 jaar is het belangrijk om te weten waarom zij in een pleeggezin wonen en niet thuis (uiteraard afgestemd op de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van het kind). Veel kinderen maken zich zorgen hoe het met hun ouders gaat wanneer zij niet meer in de buurt zijn. Ze maken zich zorgen om broertjes en zusjes of denken dat het hun schuld is dat ze naar een pleeggezin gaan. Om zicht te krijgen op de beleving van kinderen, raden we aan hierover in gesprek te gaan en het kind uit te leggen wat de reden van uithuisplaatsing is (het kind ontschuldigen). Het is belangrijk om dit gesprek op verschillende leeftijden opnieuw te voeren. Visuele ondersteuning (zoals Words and Pictures) kan daarbij helpen. In de ideale situatie laat je de jeugdbeschermer of pleegzorgbegeleider dit gesprek samen met de ouders voeren. Maar in het gedwongen kader zijn veel ouders het niet eens met plaatsing in een pleeggezin. Dan is dit niet mogelijk. Wanneer het perspectief nog niet duidelijk is, is het belangrijk om kinderen mee te nemen in het proces en zoveel mogelijk duidelijkheid te bieden. Niet alleen professionals, maar ook pleegouders hebben de taak om kinderen de mogelijkheid te geven over de ouders en de reden van de uithuisplaatsing te vertellen.

Het optekenen van een levensverhaal

Het optekenen van een levensverhaal. Dit kan een kind helpen om te begrijpen wat er in diens leven is gebeurd – zowel verdrietige als blijde gebeurtenissen – wie daarin belangrijk zijn geweest, en wie waarom welke beslissingen heeft genomen. 

Informeren

Nieuwe pleegouders zo goed mogelijk informeren over het kind en diens context dat bij hen komt wonen. 

Draagkracht pleegouders

Voor een kind is het van belang dat de pleegouders voldoende draagkracht hebben om goede en uitgeruste opvoeders te zijn. Door overbelasting kunnen pleegouders bovendien stoppen. Dat betekent voor het kind een breakdown. Het is van belang signalen van overbelasting tijdig te signaleren en ondersteuning te bieden. Een screeningslijst afnemen helpt om dit in beeld te brengen. Voorbeelden hiervan zijn de PCL-5 en de Opvoedbelasting vragenlijst (OBVL).

Samenwerking

Een goede samenwerking tussen pleegzorgbegeleider en jeugdbeschermer.

Effectieve opvoedingsstrategieën

  • Aanmoedigen: door gericht te prijzen en te belonen, leren opvoeders kinderen welk gedrag gewenst is en vergroten ze de kans dat kinderen dit gedrag vaker laten zien. Ook bouwen ze aan het zelfvertrouwen van kinderen.
  • Grenzen stellen: opvoeders verbinden structureel milde consequenties aan ongewenst gedrag. Daarnaast leren ze kinderen om in een vroeg stadium ‘slim’ te kiezen en zo een milde consequentie te voorkomen.
  • Met elkaar een probleem oplossen: opvoeders laten kinderen zien hoe je vraagstukken en (keuze)problemen op een constructieve manier en in gezinsverband kunt bespreken en oplossen. Kinderen leren om samen te werken en om zelf op een gestructureerde manier een probleem aan te pakken.
  • Zicht en toezicht houden: de opvoeder leert in te schatten welke situaties risicovol kunnen zijn voor kinderen en krijgt concrete handvatten om effectief zicht te houden op de verschillende gebieden die belangrijk zijn in het leven van kinderen.
  • Positief betrokken zijn bij kinderen: deze effectieve opvoedingsstrategie wordt binnen PMTO ook wel ‘de liefde’ genoemd. Opvoeders leren om leuke dingen met kinderen te ondernemen, daar voldoende tijd voor vrij te maken en interesse te tonen in de leefwereld van kinderen. Een andere, internationale methodiek om de relatie (pleeg)ouder-kind te verdiepen en versterken is Dyadic Developmental Psychotherapy & Practice (DDP). 

Ondersteunende opvoedingsstrategieën

  • Duidelijke instructies geven: opvoeders leren duidelijke instructies te geven, waardoor de kans toeneemt dat kinderen deze ook opvolgen.
  • Emoties reguleren: voor veel kinderen – maar ook voor veel opvoeders – is het moeilijk om rustig te blijven in situaties die stress oproepen. Indien nodig wordt hier binnen de behandeling aan gewerkt.
  • Gedrag bijhouden: met gerichte observatie- en registratieopdrachten krijgen opvoeders een reëler beeld van het gedrag van kinderen en van het effect van hun eigen handelen op dat gedrag. Gedrag bijhouden en er zo zicht op krijgen is een voorwaarde om te kunnen werken aan gedragsverandering.
  • Communicatie: het komt voor dat er iets structureel misgaat in de communicatie tussen pleegouders en kinderen die bij hen verblijven. Zo kan het zijn dat ze bepaalde gesprekstechnieken onvoldoende beheersen. Denk aan actief luisteren of een goede timing hebben in gesprek met het kind. Als dit het geval is, wordt hier in de behandeling aandacht aan besteed.

3.1.7. Netwerkpleeggezinnen

Toelichting op de aanbevelingen

  • Zet bij netwerkpleeggezinnen waar nodig extra begeleiding in, eventueel in samenwerking met het wijkteam. 

  • Sluit aan bij de behoeften van netwerkpleegouders en zoek passende scholing als een eventuele eerste crisisperiode voorbij is. 

  • Als er nog geen beoordeling van veiligheid en geschiktheid heeft plaatsgevonden, moet deze alsnog binnen dertien weken volgen (artikel 5.1, lid 3 Jeugdwet). Let gedurende deze periode extra op de veiligheid. 

Ondersteuning van netwerkpleeggezinnen

Een specifiek aandachtspunt is de begeleiding van netwerkpleeggezinnen. Dit type plaatsingen biedt voordelen voor kinderen:

  • De bestaande familiebanden (met ouders, broers, zussen, andere familieleden) blijven vaker intact (Linares et al., 2010; Farmer & Moyers, 2008).
  • De familie woont vaak dichter bij het pleeggezin (Holtan et al, 2005).
  • Netwerkpleegouders hebben een sterke motivatie. Dat uit zich in onvoorwaardelijke zorg, plichtsbesef en empathie, en aansluiting bij de cultuur van het gezin van herkomst (Konijn et al, 2019).
  • Ouders lijken een familieplaatsing beter te kunnen verdragen (Lopez Lopez et al, 2011). 

Tegelijk is er ook een andere kant:

  • Bij netwerkplaatsingen kunnen meer spanningen en conflicten voordoen om de (intergenerationele) relatie goed te houden (Chateauneuf et al, 2018; Kiraly & Humphreys, 2013; Linares et al, 2010; Vanschoonlandt et al, 2012; Wilson et al, 2013).
  • Netwerkpleegouders lijken minder gebruik te maken van ondersteuningsmogelijkheden dan bestandspleegouders (Coleman & Wu, 2016). Ook ontvangen ze significant minder training, hulpmiddelen en ondersteuning (Lin, 2014; Harding et al, 2020).
  • Internationale studies laten zien dat een netwerkplaatsing een beschermende factor is voor geestelijke gezondheidsproblemen bij het kind, maar dat de omgevingsrisico’s groter kunnen zijn – denk aan armoede, psychische kwetsbaarheid, een slechtere buurt, minder hulpbronnen in de omgeving (Dubois-Comtois, et al., 2021; Winokur et al., 2014; Xu & Bright, 2018). Deze omgevingsrisico’s zijn overigens geen legitieme reden om af te zien van netwerkpleegzorg, maar een reden om meer ondersteuning en toegang tot hulpmiddelen te bieden.
  • Uit internationaal onderzoek blijkt dat professionals de motieven van netwerkpleegouders wel eens in twijfel trekken. Dat kan leiden tot discriminatie (Harding et al, 2020; Skoglund et al, 2022). 

Aansluiten bij het kind

Netwerkpleegouders ervaren niet méér gezinsbelasting dan bestandspleegouders. Wel kan extra begeleiding tijdens de plaatsing nodig zijn. Een netwerkplaatsing gebeurt vaak onvoorbereid en vanuit een crisissituatie. Dit vraagt om de juiste begeleiding en ondersteuning van pleegouders. Je kunt deze begeleiding en ondersteuning vanaf het begin inzetten of juist wanneer de plaatsing iets rustiger is geworden. De juiste keuze hangt af van de behoefte van kinderen en van de netwerkpleegouders. Het is ook belangrijk dat de begeleiding aansluit bij wat het kind nodig heeft. Daarnaast moet er aandacht zijn voor de dubbele rol van de netwerkpleegouder, zoals pleegouder én oom of tante zijn. Bied begeleiding als er spanningen of conflicten ontstaan door hun sterke wens om het kind een veilige plek te bieden.

3.1.8. Achtergrondinformatie

Toelichting op de aanbeveling

  • Zorg dat pleegouders in ieder geval achtergrondinformatie krijgen over het kind, bij voorkeur ook van kind en ouders zelf. 

Om het gedrag van kinderen goed te kunnen begrijpen, moet je weten wat ze hebben meegemaakt in de (gehechtheids)relatie met hun ouder. Hun gedrag is te zien als een reactie op het gedrag van de ouder, of de omstandigheden waarin het kind geleefd heeft. In extreme situaties gaat dit om bijvoorbeeld armoede, honger of kou. Voor de pleegouders soms onverklaarbare angsten – zoals in paniek raken bij het zien van het bed van de pleegouders – kunnen voortkomen uit eerdere ervaringen van kinderen met hun ouders. Ook kan een afwijkende manier van aandacht vragen van een kind voortkomen uit de manier waarop die een beroep op de ouder deed, bijvoorbeeld door driftaanvallen of doen alsof je niets hoort. 

Het is van groot belang om bij pleegouders naast de negatieve ervaringen van kinderen ook de positieve ervaringen uit de relatie met hun ouders te benoemen. Bijvoorbeeld wanneer hun kind blij was, wanneer het lief was en wanneer de ouders genoten van hun kind. Ook informatie over het netwerk van kinderen is hierbij belangrijk. Om optimale ondersteuning te bieden en een breakdown te voorkomen is het nodig om het netwerk te benutten en belangrijke vertrouwenspersonen te betrekken of hier actief naar op zoek te gaan. 

De herzieningswerkgroep geeft aan dat het belangrijk is dat voorafgaand aan de plaatsing voldoende informatie beschikbaar is vanuit de verwijzende instantie, om zo gelijk gepaste zorg te kunnen bieden. Ook is het voor kinderen en ouders belangrijk dat pleegouders die achtergrondinformatie respecteren en er niet over oordelen. 

4. Beslissen over perspectief

Over beslissen over perspectief

Voor kinderen is zekerheid over het vervolg van de plaatsing van groot belang. Het gaat hier immers om duidelijkheid over het opvoedingsperspectief. Met antwoorden op basale vragen als: waar hoor ik thuis, waar mag ik opgroeien? Het besluit hierover heet een perspectiefbesluit. Vanuit het continuïteitsbeginsel in de opvoeding (artikel 20, lid 3 IVRK) is het van belang om bij een besluit om ouder en kind te scheiden zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen over het opvoedingsperspectief, zodat kinderen zich veilig kunnen hechten aan hun verzorgers. Als jeugdprofessional sta je daarmee voor de cruciale vraag of een kind teruggeplaatst kan worden naar de ouders (of één van de ouders). Of dat plaatsing bij familie, een (ander) pleeggezin of een permanente plaatsing in het huidige pleeggezin de voorkeur verdient. Dit geeft ook duidelijkheid over de invulling van de ouderrol. Vaak is niet op voorhand met zekerheid te zeggen of een kind beter af is bij (één van) de ouders of in een pleeggezin. Uit tal van onderzoeken blijkt wel dat langdurige onzekerheid over de toekomstige verblijfplaats van een kind – die er in de praktijk vaak is – schadelijk is voor de ontwikkeling van dat kind (Singer, 1998; Weterings, 2000; Van den Bergh & Weterings, 2007). Bovendien is het ook voor ouders en het pleeggezin moeilijk als ze lange tijd in onzekerheid blijven.

De wetgeving rond het bevorderen van terugplaatsing is in ontwikkeling. Een kamerbrief van november 2024 stelt voor om deze zaken wettelijk te verankeren. Met ‘Werken aan terugplaatsing’ als uitgangspunt, een verplicht omgangsplan, onderzoek naar de mogelijkheid voor contact met broers en zussen en de beslissing over het opvoedperspectief expliciet bij de kinderrechter. 

De aanbevelingen van deze bouwsteen zijn relevant voor jeugdzorgwerkers die in de volle breedte betrokken zijn bij de pleegzorg. Zowel pleegzorgbegeleiders als jeugdbeschermers en gedragswetenschappers die betrokken zijn bij pleegzorg of jeugdbescherming. Het is belangrijk dat de je als jeugdprofessionals samen bespreekt wie voor de uitvoering van welke aanbevelingen verantwoordelijk is. 

Vraag en aanbevelingen

4.1. Perspectiefbesluit

Wat is nodig om een goed en tijdig besluit over het perspectief van kinderen in pleegzorg te kunnen nemen?

Aanbevelingen

4.1.1. Afwegingen en beslissingen bij perspectiefbesluit

  • Maak bij de plaatsing van een kind in een pleeggezin duidelijk dat de pleegouders in eerste instantie tijdelijke pleegzorg bieden, waarbij onderzocht wordt of terugplaatsing in het oorspronkelijke gezin mogelijk is. Maak ook duidelijk dat het kind, wanneer terugplaatsing niet mogelijk is, na het perspectiefbesluit mogelijk in het pleeggezin blijft (in vrijwillig dan wel gedwongen kader).

  • Geef het kind een stem door deze vijf stappen te volgen: 1) Zorg voor een goede voorbereiding zodat het kind goed geïnformeerd een mening kan vormen. 2) Stel het kind in staat diens mening vrij te uiten. 3) Maak een inschatting van de vaardigheden van het kind en geef passend gewicht aan de mening van het kind. 4) Koppel terug wat met de mening van het kind is gedaan.  5) Stel het kind in staat om in verweer te komen tegen de beslissing. 

  • Probeer als jeugdbeschermer of verwijzer zo snel mogelijk na de uithuisplaatsing het perspectief van de plaatsing duidelijk te krijgen (zie de richtlijn Uithuisplaatsing en terugplaatsing). Bespreek met de ouders en het kind welke veranderingen ten minste nodig zijn voor een hereniging met hun kind en leg deze samen met de ouders zo concreet mogelijk en in begrijpelijke taal vast. Zodat het voor iedereen duidelijk en inzichtelijk is. Deze veranderingen betreffen niet alleen de voorwaarden voor opvoeding en verzorging (huisvesting, verslaving, schulden), maar moeten met name gericht zijn op de interactie tussen de ouders en hun kind. De centrale vragen zijn: ‘Wat heeft het kind nodig om weer thuis te kunnen wonen?’ en ‘Wat heeft de ouder daarvoor nodig?’ Financiële of materiële armoede mag nooit de enige reden zijn om een kind van diens ouders te scheiden.

  • Zorg in dialoog met ouders en pleegouders voor gezamenlijk gedragen doelen voor een mogelijke terugplaatsing en – daarmee samenhangend – voor een gezamenlijk gedragen werkwijze. Sluit hier zo mogelijk aan bij het familiegroepsplan. Neem alle partijen steeds mee in de werkwijze en de genomen stappen.

  • Bied ouders, kind en andere betrokkenen vanaf de start van de pleegzorgplaatsing intensieve en zo nodig gespecialiseerde hulp om de beoogde veranderingen te bereiken.

4.1.2. Aanvaardbare termijn

  • Neem als jeugdbeschermer of verwijzer een perspectiefbesluit binnen een voor het kind aanvaardbare termijn. 

4.1.3. Begeleiden

  • Neem als verwijzer of jeugdbeschermer bij gedwongen kader na een gewogen systematische analyse een perspectiefbesluit volgens de richtlijn Uithuisplaatsing en terugplaatsing

  • Beslis na een voor het kind aanvaardbare termijn in combinatie met intensieve ondersteuning van kind en ouders tot permanente plaatsing in het pleeggezin als: de gewenste ontwikkelingsuitkomsten niet worden bereikt, de benodigde veranderingen voor terugplaatsing niet zijn gerealiseerd, en er geen concrete aanwijzingen zijn dat die binnen een voor het kind aanvaardbare termijn alsnog gerealiseerd worden.

  • Stel bij terugplaatsing vast welke ondersteuning of nazorg nodig is en zorg dat deze ook beschikbaar is. Zodat de hereniging voor de jeugdige positief uitpakt. Zorg voor intensieve begeleiding om te voorkomen dat oude patronen terugkeren. Begeleid actief bij het hervatten van de opvoeding en heb oog voor andere gezinsproblemen (verslaving, schulden, ziekte) als die terugkeren. Dit kan goed in samenwerking met een lokaal team en de reeds betrokken hulpverleners van de ouders.

  • Bied nazorg (verwerking/afscheid) aan pleegouders als een kind wordt teruggeplaatst. Overweeg om bij rouw en verdriet om het vertrek van een kind de pleegouders een professional te laten inschakelen die zij vertrouwen (bijvoorbeeld een verlies- en rouwbegeleider of een geestelijk verzorger). Blijf contacten tussen het kind en de voormalige pleegouders ondersteunen. Stem de frequentie en de vorm van het contact af op de behoeften en de ontwikkeling van het kind (bijvoorbeeld met de Checklist Oudercontacten in de Pleegzorg).

  • Begeleid ouders na een besluit gericht op een permanente plaatsing bij de nieuwe invulling van hun ouderrol. Betrek hierbij het netwerk, eventuele behandelaars van de ouders en het lokale team.

4.1.1. Afwegingen en beslissingen bij perspectiefbesluit

Toelichting op de aanbevelingen

  • Maak bij de plaatsing van een kind in een pleeggezin duidelijk dat de pleegouders in eerste instantie tijdelijke pleegzorg bieden, waarbij onderzocht wordt of terugplaatsing in het oorspronkelijke gezin mogelijk is. Maak ook duidelijk dat het kind, wanneer terugplaatsing niet mogelijk is, na het perspectiefbesluit mogelijk in het pleeggezin blijft (in vrijwillig dan wel gedwongen kader).

  • Geef het kind een stem door deze vijf stappen te volgen: 1) Zorg voor een goede voorbereiding zodat het kind goed geïnformeerd een mening kan vormen. 2) Stel het kind in staat diens mening vrij te uiten. 3) Maak een inschatting van de vaardigheden van het kind en geef passend gewicht aan de mening van het kind. 4) Koppel terug wat met de mening van het kind is gedaan.  5) Stel het kind in staat om in verweer te komen tegen de beslissing. 

  • Probeer als jeugdbeschermer of verwijzer zo snel mogelijk na de uithuisplaatsing het perspectief van de plaatsing duidelijk te krijgen (zie de richtlijn Uithuisplaatsing en terugplaatsing). Bespreek met de ouders en het kind welke veranderingen ten minste nodig zijn voor een hereniging met hun kind en leg deze samen met de ouders zo concreet mogelijk en in begrijpelijke taal vast. Zodat het voor iedereen duidelijk en inzichtelijk is. Deze veranderingen betreffen niet alleen de voorwaarden voor opvoeding en verzorging (huisvesting, verslaving, schulden), maar moeten met name gericht zijn op de interactie tussen de ouders en hun kind. De centrale vragen zijn: ‘Wat heeft het kind nodig om weer thuis te kunnen wonen?’ en ‘Wat heeft de ouder daarvoor nodig?’ Financiële of materiële armoede mag nooit de enige reden zijn om een kind van diens ouders te scheiden.

  • Zorg in dialoog met ouders en pleegouders voor gezamenlijk gedragen doelen voor een mogelijke terugplaatsing en – daarmee samenhangend – voor een gezamenlijk gedragen werkwijze. Sluit hier zo mogelijk aan bij het familiegroepsplan. Neem alle partijen steeds mee in de werkwijze en de genomen stappen.

  • Bied ouders, kind en andere betrokkenen vanaf de start van de pleegzorgplaatsing intensieve en zo nodig gespecialiseerde hulp om de beoogde veranderingen te bereiken.

In de onderzoeksliteratuur zijn geen specifieke afwegingen en criteria gevonden voor de beslissing om een uithuisgeplaatst kind al dan niet bij de ouders terug te plaatsen. In onderstaand overzicht staan verschillende factoren op een rij die volgens onderzoek van invloed zijn op het besluit tot terugplaatsing. Eén zo’n factor kan nooit doorslaggevend zijn voor de besluitvorming – het gaat altijd om een combinatie van factoren.

De stem van het kind in het besluitvormingsproces

Het kind heeft een belangrijke stem in de uiteindelijke besluitvorming. Neem de volgende vijf stappen om de mening van het kind te horen en serieus te nemen:

  1. Zorg voor een goede voorbereiding, zodat het kind goed geïnformeerd een mening kan vormen. Om een gedegen mening te kunnen vormen, moet het kind de juiste informatie krijgen. Natuurlijk op een manier die past bij diens ontwikkeling en capaciteiten. Informeer kinderen over het recht om hun mening te geven in zaken die hen raken en over de impact die hun mening kan hebben op de uitkomsten. Het is belangrijk dat kinderen weten wat de mogelijke gevolgen van participatie zijn en welke mogelijkheden er zijn om hun mening te delen (zelf of via een vertegenwoordiger). Onderdeel van de voorbereiding is ook dat het kind weet wanneer, hoe, waar en met wie de communicatie plaatsvindt.
  2. Stel het kind in staat diens mening vrij te uiten. De omgeving waar het gesprek plaatsvindt is belangrijk, maar ook de houding en vaardigheden van de volwassene.
  3. Maak een inschatting van de vaardigheden van het kind en geef passend gewicht aan de mening van het kind. Kijk per kind of het in staat is een eigen mening te vormen. Neem de mening van het kind serieus en laat die een belangrijke rol spelen in de besluitvorming.
  4. Koppel terug wat met de mening van het kind is gedaan. Onderdeel van het participatieproces is het kind informeren over de beslissing. En over de rol die de mening van het kind in de besluitvorming heeft gespeeld. Deze terugkoppeling is noodzakelijk om het kind te laten weten dat het serieus genomen wordt. Door feedback weet het kind op welke manier diens mening is meegenomen in de afweging. Zo kan het kind ook reageren als het vindt dat diens mening onvoldoende is meegewogen. Bijvoorbeeld door een alternatief voorstel te doen of misschien door een klacht in te dienen of zelfs een juridische procedure in te stellen.
  5. Stel het kind in staat om in verweer te komen tegen een beslissing. Er moeten klacht-, bezwaar- en beroepsprocedures zijn voor kinderen die vinden dat ze onvoldoende gelegenheid hebben gekregen om hun mening te geven of die vinden dat hun mening onvoldoende is meegewogen.

Afwegingen en beslissingen bij perspectiefbesluit

De richtlijn Uithuisplaatsing en terugplaatsing beschrijft welke afwegingen je als jeugdprofessional maakt om tot een zorgvuldige beslissing te komen of het kind al dan niet weer thuis kan wonen. Een pleegzorgbegeleider kan informatie geven aan de jeugdprofessional die het perspectiefbesluit neemt. Bijvoorbeeld hoe het in het pleeggezin met het kind gaat en hoe de contacten met de ouders verlopen. Een pleegzorgbegeleider is zelf niet beslissingsbevoegd. Daarbij vinden praktijkprofessionals het belangrijk dat de pleegzorgbegeleider als begeleider van de pleegzorgplaatsing niet het perspectiefonderzoek doet en adviseert over het perspectiefbesluit. Bij een vrijwillige plaatsing ligt de regie bij het wijkteam. In het gedwongen kader ligt de regie bij de jeugdbeschermer. In beide situaties is het van groot belang om ouders, pleegouders en kind zorgvuldig mee te nemen in alle stappen.

Belangrijke adviezen bij twee verschillende beslissingen:

  • Bij de beslissing tot (deeltijd) verblijf in een pleeggezin: bespreek hoe het gedeeld opvoederschap vorm kan krijgen. Welke rol kunnen ouders blijvend hebben in de zorg?
  • Bij de beslissing dat een kind juist weer thuis gaat wonen: besteed aandacht aan de rol van pleegouders in het leven van het kind wanneer het weer bij diens ouder(s) woont.

Zie voor meer toelichting en onderbouwing Beslissen over uithuisplaatsing en terugplaatsing en Begeleiden bij uithuisplaatsing en terugplaatsing.

Factoren die de kans op terugplaatsing verkleinenFactoren die de kans op terugplaatsing vergroten
Reden voor uithuisplaatsing 
  • verwaarlozing
  • vertrek van een dader bij seksueel misbruik
Kindkenmerken 
  • sociaal-emotionele problematiek of gedragsproblemen
  • gezondheidsproblemen of handicaps
  • als baby of adolescent uithuisgeplaatst
  • uithuisgeplaatst in de basisschoolleeftijd
Ouder- of gezinskenmerken 
  • ambivalente houding ten opzichte van terugplaatsing
  • onvoldoende betrokkenheid en inzet om aan gestelde voorwaarden te werken tijdens uithuisplaatsing
  • ouders met eigen psychische problematiek, waaronder het meemaken van traumatische jeugdervaringen
  • meervoudige gezinsproblematiek (een combinatie van armoede, drugsgebruik, chronische psychische problemen van ouders)
  • eenoudergezinnen
  • wanneer de ouder(s) over beperkte opvoedingscapaciteiten beschikken
  • ouders met een verstandelijke beperking
  • betrokkenheid van ouders tijdens de uithuisplaatsing
  • ingezette hulp gericht op de ouders of het gezin.
  • actief werken aan gestelde voorwaarden voor terugplaatsing
  • voldoende wegnemen van onveiligheid
  • wens van ouders tot terugplaatsing
Plaatsingskenmerken 
  • lang verblijf in pleeggezin
  • meerdere overplaatsingen achter de rug 

 

  • kort verblijf in pleeggezin
  • overeenstemming tussen ouders, pleegouders en professionals over doelen en werkwijze tijdens pleegzorgplaatsing
  • plaatsing in een netwerkgezin

4.1.2. Aanvaardbare termijn

Toelichting op de aanbeveling

  • Neem als jeugdbeschermer of verwijzer een perspectiefbesluit binnen een voor het kind aanvaardbare termijn. 

Na een uithuisplaatsing stelt het zorgteam binnen één maand een plan van aanpak op. Spreek in dat plan van aanpak een termijn af waarin een perspectiefbesluit wordt genomen. Dat besluit kan zijn toewerken naar thuisplaatsing of toewerken naar definitief opgroeien in een pleeggezin. 

Uitgangspunt is dat het perspectiefbesluit wordt genomen binnen een termijn die voor het kind aanvaardbaar is. De jeugdbeschermer verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming om dit voorgenomen besluit te toetsen dan wel te onderzoeken. Afhankelijk van het wettelijk kader wordt een voorgesteld besluit voorgelegd aan de rechter. 

Bij een perspectiefbesluit zijn verschillende criteria van belang, maar het ontwikkelingsbelang van het kind is de eerste overweging (artikel 3 IVRK). Zie daarvoor de richtlijn Uithuisplaatsing en terugplaatsing. Ga over de criteria in gesprek met ouders, kind (op een wijze die past bij de leeftijd en capaciteiten), pleegouders en professionals die betrokken zijn bij de ouders of de pleegouders. Maak als jeugdprofessional die het perspectiefbesluit neemt duidelijke afspraken wie deze gesprekken voert en wie de wens van het kind vertegenwoordigt als het kind deze nog niet zelf kan verwoorden (zo nodig een bijzonder curator). Verantwoord het besluit systematisch, zoals uitgewerkt in de richtlijn Uithuisplaatsing en Terugplaatsing

Zie voor meer toelichting Beslissen over uithuisplaatsing en terugplaatsing.

4.1.3. Begeleiden

Toelichting op de aanbevelingen

  • Neem als verwijzer of jeugdbeschermer bij gedwongen kader na een gewogen systematische analyse een perspectiefbesluit volgens de richtlijn Uithuisplaatsing en terugplaatsing

  • Beslis na een voor het kind aanvaardbare termijn in combinatie met intensieve ondersteuning van kind en ouders tot permanente plaatsing in het pleeggezin als: de gewenste ontwikkelingsuitkomsten niet worden bereikt, de benodigde veranderingen voor terugplaatsing niet zijn gerealiseerd, en er geen concrete aanwijzingen zijn dat die binnen een voor het kind aanvaardbare termijn alsnog gerealiseerd worden.

  • Stel bij terugplaatsing vast welke ondersteuning of nazorg nodig is en zorg dat deze ook beschikbaar is. Zodat de hereniging voor de jeugdige positief uitpakt. Zorg voor intensieve begeleiding om te voorkomen dat oude patronen terugkeren. Begeleid actief bij het hervatten van de opvoeding en heb oog voor andere gezinsproblemen (verslaving, schulden, ziekte) als die terugkeren. Dit kan goed in samenwerking met een lokaal team en de reeds betrokken hulpverleners van de ouders.

  • Bied nazorg (verwerking/afscheid) aan pleegouders als een kind wordt teruggeplaatst. Overweeg om bij rouw en verdriet om het vertrek van een kind de pleegouders een professional te laten inschakelen die zij vertrouwen (bijvoorbeeld een verlies- en rouwbegeleider of een geestelijk verzorger). Blijf contacten tussen het kind en de voormalige pleegouders ondersteunen. Stem de frequentie en de vorm van het contact af op de behoeften en de ontwikkeling van het kind (bijvoorbeeld met de Checklist Oudercontacten in de Pleegzorg).

  • Begeleid ouders na een besluit gericht op een permanente plaatsing bij de nieuwe invulling van hun ouderrol. Betrek hierbij het netwerk, eventuele behandelaars van de ouders en het lokale team.

Zie voor meer toelichting en verdieping Begeleiden bij uithuisplaatsing en terugplaatsing. Het voortijdig beëindigen van een plaatsing kan, naast verdriet en rouw, ook zingevingsvragen opleveren bij pleegouders (Van Dam et al., 2024). De pleegouders zijn immers gestart met idealen, vaak gemotiveerd door hun levensbeschouwing. Kijk met de pleegouders wie hen hierbij kan helpen binnen de pleegzorgorganisatie of hun eigen netwerk (denk aan een geestelijk verzorger). 

Perspectief op zelfstandigheid

Vanaf 1 juli 2018 mogen jongeren tot 21 jaar in hun pleeggezin blijven als zij dit willen en met een duidelijke zorgvraag tot 23 jaar. Pleegzorg standaard inzetten tot 21 jaar helpt jongeren, die vaker in een kwetsbare positie zitten, om zich vanuit de veilige omgeving van hun pleeggezin voor te bereiden op (financiële) zelfstandigheid. Met ieder kind van 16 jaar in de pleegzorg wordt een toekomstplan opgesteld. Uit dit plan moet duidelijk worden welke ondersteuning nodig is na het verlaten van het pleeggezin. De ondersteuning betreft praktische en relationele steun en stabiliteit. Wie is en blijft er voor kinderen beschikbaar wanneer zij uitstromen uit de jeugdhulp? Het lokale team kan hierbij ook betrokken worden. Ook kan gebruik worden gemaakt van ondersteunende apps of tools zoals www.kwikstart.nl of de Big 5. In de Big 5 worden 5 domeinen genoemd waarop de jongere zich kan en moet voorbereiden op de volwassenheid. Deze vijf domeinen betreffen:

  1. Support: Je hebt ten minste één volwassene die er altijd voor je is en je hebt steunende familie, vrienden en/of kennissen waar je op kunt rekenen.
  2. Wonen: Je hebt een passende, betaalbare woonplek – alleen of met anderen – waar je voor langere tijd kan blijven.
  3. School & werk: Je gaat naar school, studeert of werkt en je maakt plannen voor wat je later wilt doen of worden.
  4. Inkomen: Je bent goed voorbereid op je financiële zelfstandigheid en het voorkomen of oplossen van schulden. Als je het (nog) niet zelf kunt, is er iemand die dit samen met je kan doen. Je hebt een stabiel inkomen dat voldoende is voor nu en de nabije toekomst.
  5. Welzijn: Het gaat mentaal en lichamelijk goed genoeg met je en je hebt het gevoel dat je de toekomst aankunt. Je herkent bij jezelf wanneer het niet of minder goed met je gaat en je weet waar en bij wie je dan kunt aankloppen voor hulp.

Daarnaast is er een richtlijn in ontwikkeling specifiek gericht op de zorg naar de volwassenheid. Zie richtlijn Toekomstgericht werken.

5. Stabiliteit en breakdown

Over stabiliteit en breakdown

Stabiliteit en continuïteit van pleegzorgplaatsingen zijn essentieel voor de ontwikkeling van pleegkinderen. Het hele pleegzorgproces moet er dan ook op gericht zijn om verplaatsingen van kinderen te voorkomen. In deze richtlijn hanteren we als definitie van breakdown: een voortijdig negatief afgebroken plaatsing. Volgens internationale schattingen eindigt 25 tot 50% van de plaatsingen in een breakdown. Nederlandse onderzoeken rapporteren 45%. Behalve met breakdowns kunnen pleegkinderen ook te maken krijgen met overplaatsingen naar een andere vorm van pleegzorg (bijvoorbeeld van crisisplaatsing naar reguliere pleegzorg). In deze bouwsteen beschrijven we hoe je de stabiliteit van de plaatsing kunt vergroten om zo een breakdown te voorkomen.

De aanbevelingen gaan over het begeleiden van pleegouders om een stabiele plaatsing te bevorderen en een mogelijke breakdown tijdig te signaleren. Voor gedragswetenschappers is deze bouwsteen ook relevant. Zij ondersteunen de pleegzorgbegeleiders en kunnen helpen om problemen tijdig te signaleren en adviseren over de inzet van interventies.

Vraag en aanbevelingen

5.1. Stabiliteit van plaatsing

Hoe kun je de stabiliteit van een plaatsing vergroten en een breakdown voorkomen?

Aanbevelingen

5.1.1. Matchingsproces

  • Neem in de matchingsprocedure factoren mee van het pleegkind, pleeggezin, ouders, de voorkeuren van ouders en pleegkinderen en de interactie tussen pleegkind, ouders en pleeggezin (pleegouders en eigen kinderen). Gebruik daarvoor het handboek Methodisch Matchen en leg alle factoren vast. 

  • Verzamel structureel informatie en leg professionele overwegingen vast, zodat de beslissing transparant is. Matching is inzichtelijk maatwerk.

5.1.2. Samenplaatsen broers en zussen

  • Plaats kinderen samen met broers en zussen. Tenzij dit niet in het belang van (een van) de kinderen is. 

  • Lukt samenplaatsen om zwaarwegende redenen niet, maak dan concrete afspraken om de onderlinge band en omgang met elkaar te behouden en plaats kinderen zo veel mogelijk in de buurt van broers en zussen. Vraag kinderen zelf hoe ze hierover denken, neem ze serieus en koppel aan ze terug wat er met hun zienswijze is gedaan.

5.1.3. Religie, cultuur en etniciteit

  • Houd bij matching rekening met religie, cultuur, etniciteit en taal van het kind. Zijn er verschillen, inventariseer dan hoe belangrijk deze zijn voor de betrokkenen en leg dit vast. Onderzoek hoe pleegouders de identiteitsontwikkeling van het pleegkind ‘in twee werelden’ kunnen ondersteunen. Maak hiervoor concrete afspraken.

5.1.4. Extra ondersteuning

  • Is een optimale match niet mogelijk, zorg dan voor extra ondersteuning, concrete afspraken en passende begeleiding voor kind, ouders en pleegouders.

5.1.5. Samenwerken

  • Ondersteun pleegouders om een goede samenwerkingsband op te kunnen bouwen met de ouders van het pleegkind. Investeer in de samenwerking met de ouders en werk eraan dat de ouders de plaatsing leren verdragen. Schakel hulp in voor de ouders, in het omgaan met hun verdriet en rouw, en in het vergroten van hun opvoedvaardigheden. 

5.1.6. Factoren bij een breakdown

  • Zet bij pleegkinderen die kampen met gedragsproblemen en al veel verplaatsingen achter de rug hebben altijd adequate pleegzorgbegeleiding in. Zeker als de gedragsproblemen voortkomen uit een problematische gehechtheid of trauma. Is deze specifieke begeleiding niet mogelijk, overweeg dan of een pleegzorgplaatsing wel de beste optie is. Bij een plaatsing is het risico op een breakdown en daarmee extra schade voor het pleegkind namelijk erg groot. Plaatsing in een gezinshuis kan passender zijn, omdat de gezinshuisouder vanuit diens professionaliteit meer tijd en vaardigheden heeft om het kind te begeleiden rond trauma en gehechtheid. 

  • Wees in de opvoedingsondersteuning van pleegouders alert op het gedrag van de pleegouders. Ondersteunen zij het pleegkind onvoldoende, oefenen ze te veel controle uit en straffen ze inconsequent, dan vergroot dat de kans op probleemgedrag bij het pleegkind en daarmee op een breakdown. Probeer dit opvoedgedrag om te buigen. Geef aan dat agressief of teruggetrokken gedrag van het pleegkind geen persoonlijke aanval of afwijzing van de pleegouders is. Help pleegouders om te zien wat het gedrag bij hen oproept en losmaakt, zodat hun opvoedvaardigheid kan verbeteren.

  • Zet bij pleegkinderen met gedragingen die als ernstig gezien worden naast gewone pleegzorgbegeleiding ook specialistische pleegzorg in. Of ondersteun de pleegouders met een intensieve en aanvullende trainingen, zoals Zorgen voor getraumatiseerde kinderen of Integratief opvoeden. 

5.1.7. Risico op breakdown

  • Signaleer risico’s op een voortijdige beëindiging van de plaatsing en pak deze aan.

  • Zet om een breakdown te voorkomen zo nodig interventies in gericht op het verminderen van kindproblemen of het versterken van opvoedingsvaardigheden. Bijvoorbeeld traumasensitief pleegouderschap.

5.1.8. Psycho-educatie

  • Leg het accent in de pleegzorgbegeleiding niet zozeer op de ervaren belasting voor het pleeggezin, maar op het sensitief-responsief en traumasensitief opvoedgedrag van de pleegouders. Bied de pleegouders psycho-educatie, opvoedingsondersteuning en opvoedtraining met behulp van het lokale team of specialisten uit de jeugdhulp. Dit helpt meer om een breakdown te voorkomen dan een focus op de ervaren belasting voor het pleeggezin.

  • Ondersteun pleegouders zodat ze goed om kunnen gaan met het signaalgedrag of de beperking van hun pleegkind. Ondersteun pleegouders in het onderkennen en interpreteren van afwijkend en leeftijdsadequaat gedrag, maar ook bij het onderkennen van trauma.

  • Bevorder in de opvoedingsondersteuning van pleegouders dat zij:

    • ondersteunen (bemoedigen, gewenst gedrag positief bekrachtigen, helpen, affectie tonen);
    • toezichthouden (reguleren van kindgedrag met uitleg, aanwijzingen en consequent leidinggeven);
    • aansluiten bij de ontwikkelingsleeftijd van het kind;
    • het pleegkind de mogelijkheid bieden over diens verleden te praten;
    • ruimte geven aan de eigenheid en identiteitsvorming van het kind.

5.1.9. Stabiliteit als uitgangspunt

  • Beperk overplaatsingen tot een minimum.

  • Is overplaatsing toch nodig, zorg dan dat er een goede kennismakings- en gewenningsperiode is, passend bij de leeftijd van het pleegkind.

5.1.10. Relationale stabiliteit

  • Houd de relationele stabiliteit van het kind, diens levenslange verbondenheid met anderen – binnen en buiten de familie – voor ogen. En besteedt aandacht aan de nazorg voor het pleeggezin en de ouders.

5.1.1. Matchingsproces

Toelichting op de aanbevelingen

  • Neem in de matchingsprocedure factoren mee van het pleegkind, pleeggezin, ouders, de voorkeuren van ouders en pleegkinderen en de interactie tussen pleegkind, ouders en pleeggezin (pleegouders en eigen kinderen). Gebruik daarvoor het handboek Methodisch Matchen en leg alle factoren vast. 

  • Verzamel structureel informatie en leg professionele overwegingen vast, zodat de beslissing transparant is. Matching is inzichtelijk maatwerk.

Het matchingsproces van een kind met een pleeggezin is zeer complex. Organisatorische en contextuele processen spelen een rol, maar ook de persoonlijke visie en ervaringen van de persoon die de matching verzorgt (Zeijlmans et al, 2017). Het Kinderrechtenverdrag schrijft voor om bij uithuisplaatsing van kinderen rekening te houden met de continuïteit van de opvoeding van het kind, en met de etniciteit, cultuur, religie, taal en bijzondere bescherming van het uithuisgeplaatste kind (Artikel 20 lid 3 IVRK). Onderzoekers geven aan dat de praktijk soms verschilt van de theoretische uitgangspunten, bijvoorbeeld door een tekort aan pleegouders (Zeijlmans, 2019). 

Wat maakt een match succesvol?

Een zorgvuldige match van pleegkinderen en pleeggezinnen is een belangrijke voorspeller voor gunstige pleegzorguitkomsten. 

Volgens Van den Bergh en Weterings (2010b) wordt een goede match bepaald door de interactie tussen drie dingen:

  1. De vraagstelling van het pleegkind. – wat heeft het kind nodig?
  2. De opvoedingsvaardigheden en opvoedingsklimaat in het pleeggezin.
  3. De manier waarop de ouders omgaan met de uithuisplaatsing van hun kind. 

Op verzoek van het parlement onderzochten juridische en pedagogische wetenschappers van de Universiteit Leiden in 2022 de stand van zaken rond uithuisplaatsingen in Nederland. Bruning en collega’s constateren onder meer dat de rechtsbescherming van kinderen en hun ouders tekortschiet bij uithuisplaatsing en dat broertjes en zusjes te vaak gescheiden worden (Bruning et al, 2022). Steeds meer onderzoek naar matching laat zien hoeveel factoren meespelen en hoe complex dit proces is (Zeijlmans, 2019). 

Uit die onderzoeken komen onder meer de volgende conclusies naar voren: 

  • Het is belangrijk om de wensen van ouders en kinderen te horen en vast te leggen in het matchingsproces (Bruning et al, 2022; Harder et al., 2020; Zeijlmans, 2019), net als de wensen van de eigen kinderen van pleegouders (Gypen et al, 2020). Denk hierbij ook aan de geografische afstand tussen het kind en diens familieleden en de school van het kind.
  • Het is belangrijk dat pleegzorgbegeleiders matchingmethodieken volgen en supervisie en intervisie gebruiken om zich bewust te maken van hun eigen beperkingen en impliciete waarden en normen. Zeijlmans constateert uit onderzoek in Nederland dat regelmatig matchingsbeslissingen plaatsvinden volgens vuistregels die gebaseerd zijn op herkenning van een ander pleeggezin of één doorslaggevend argument (Zeijlmans, 2019).
  • Samenwerking met alle bij de match betrokken personen is een belangrijke succesfactor. Inventariseer daarvoor de wensen en het draagvlak van het kind en de ouders voor het pleeggezin.

Voor een goede match is het noodzakelijk dat er voldoende pleeggezinnen zijn. Wanneer netwerkpleegzorg geen optie is. Daarbij is niet alleen van belang dat er voldoende aanwas is van pleeggezinnen, maar ook dat de uitstroom van pleeggezinnen beperkt blijft. 

Het Nederlands Jeugdinstituut, Kennisbureau Ter Meulen en het Gezinsinspiratieplein hebben in 2017 een matchingsmethodiek ontwikkeld die het proces van matching stap voor stap behandelt. Deze methodiek en de bijbehorende checklisten dienen als hulpmiddel om te komen tot een afgewogen matching. Spoelstra, De Baat, Ter Meulen en Vinke (2020) kiezen voor een zestal uitgangspunten bij het matchen:

  • De opvoedings- en ontwikkelingsbehoeften van het kind staan centraal.
  • Ouders krijgen een rol passend bij hun mogelijkheden en de behoeften van het kind.
  • Informatieverzameling en -verstrekking is een voorwaarde voor matching.
  • Binnen het matchingsproces is aandacht voor gehechtheid en de klik (interactie) tussen betrokkenen.
  • Doel van de match is een stabiele, onvoorwaardelijke opvoedrelatie.
  • Bij een niet-optimale match worden risico’s verminderd door het inzetten van hulp op maat.

De matchingsmethodiek (Spoelstra et al., 2020) geeft goed weer hoe matching in de huidige pleegzorgpraktijk verloopt. Er worden allerlei criteria beoordeeld: leeftijd van het pleegkind, etniciteit, broers/zussen, geografie, contactmogelijkheid met de ouders, behoeften van

het pleegkind, gehechtheid en temperament. De jeugdprofessional die onderzoekt waar een kind geplaatst kan worden, bekijkt de kenmerken van het pleegkind en van de pleegouders en beslist op basis van ervaringen met eerdere matchingsbeslissingen aan welk pleeggezin het pleegkind wordt toegewezen.

Bijzondere aandacht vragen situaties waarin een optimale match niet mogelijk is of wanneer er een crisis is. Als vanwege een gebrek aan pleegouders een niet-optimale match gemaakt moet worden, is het belangrijk om de situatie bij aanvang van de plaatsing te analyseren. Om zo te bepalen welke (extra) ondersteuning er aan het pleegkind en/of het pleeggezin geboden moet worden om de kans op een succesvolle plaatsing te vergroten (Van Oijen, 2010). Is in een crisissituatie een snelle match nodig, dan is het belangrijk om op het moment dat het pleegkind al in het pleeggezin woont te inventariseren hoe met terugwerkende kracht een goede start gemaakt kan worden voor pleegkind, ouder(s) en pleegouders. Het helpt om daarbij opnieuw de matchingsmethodiek te gebruiken om te bepalen wat met terugwerkende kracht nog besproken en gedaan kan worden om een zo goed mogelijke ‘startsituatie’ te creëren.

5.1.2. Samenplaatsen broers en zussen

Toelichting op de aanbevelingen

  • Plaats kinderen samen met broers en zussen. Tenzij dit niet in het belang van (een van) de kinderen is. 

  • Lukt samenplaatsen om zwaarwegende redenen niet, maak dan concrete afspraken om de onderlinge band en omgang met elkaar te behouden en plaats kinderen zo veel mogelijk in de buurt van broers en zussen. Vraag kinderen zelf hoe ze hierover denken, neem ze serieus en koppel aan ze terug wat er met hun zienswijze is gedaan.

Kinderen hebben recht op bescherming van hun gezinsleven. Daaronder valt ook de band met broers en zussen. Dit is vastgelegd in artikel 8 van het EVRM en artikel 16 van het IVRK.

Bescherming tegen breakdown en psychische klachten

Het samenplaatsen van broertjes en zusjes bij een uithuisplaatsing werkt beschermend. Het verkleint de kans op een breakdown in de plaatsing (Konijn et al., 2019; Munro & Hardy, 2007; Rock et al., 2015). Ook als de relatie met de biologische moeder slecht is, kan een goede band met broers en zussen beschermen tegen problemen als depressie (McWey et al., 2023).

Alleen scheiden bij zwaarwegende redenen

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) stelt dat broertjes en zusjes niet zomaar van elkaar gescheiden mogen worden. Alleen een zorgvuldige, kindgerichte afweging kan zo’n scheiding rechtvaardigen. Als scheiding toch noodzakelijk is, behouden broers en zussen het recht op omgang met elkaar.

Ook de Richtlijnen voor Alternatieve Zorg voor Kinderen zijn duidelijk: broers en zussen met een bestaande band mogen niet gescheiden worden. Uitzonderingen zijn alleen mogelijk als:

  • er sprake is van duidelijk gevaar voor misbruik;
  • er een andere reden in het belang van het kind speelt;
  • of als het kind zelf nadrukkelijk scheiding wenst.

Ontwikkeling in Nederlandse wetgeving

In Nederland is de wetgeving op dit punt nog in ontwikkeling. In een kamerbrief van november 2024 wordt voorgesteld om deze richtlijn ook wettelijk te verankeren. Toch blijkt uit onderzoek dat broers en zussen in de helft van de gevallen om andere redenen gescheiden worden. Niet vanwege zwaarwegende belangen van het kind, maar uit praktisch-organisatorische overwegingen (Bruning et al., 2022).

Let op rolverwarring na verwaarlozing

In de praktijk komt het voor dat broers en zussen die samen zijn opgegroeid in een situatie van verwaarlozing, een niet-passende rolverdeling hebben ontwikkeld. Bijvoorbeeld als één kind een ouderrol op zich neemt. In zulke gevallen is het belangrijk om te onderzoeken hoe die relatie weer in balans gebracht kan worden. Zo kunnen pleegouders beter laten zien dat zíj de zorgtaak overnemen, en kunnen kinderen opnieuw ervaren dat zij kind mogen zijn.

Het uitgangspunt bij uithuisplaatsing is dus: broertjes en zusjes horen bij elkaar. Zie ook de richtlijn Uithuisplaatsing en terugplaatsing

5.1.3. Religie, cultuur en etniciteit

Toelichting op de aanbeveling

  • Houd bij matching rekening met religie, cultuur, etniciteit en taal van het kind. Zijn er verschillen, inventariseer dan hoe belangrijk deze zijn voor de betrokkenen en leg dit vast. Onderzoek hoe pleegouders de identiteitsontwikkeling van het pleegkind ‘in twee werelden’ kunnen ondersteunen. Maak hiervoor concrete afspraken.

Etniciteit en stabiliteit van plaatsing

Eerder werd geen duidelijk bewijs gevonden voor positieve effecten bij overeenkomst in etniciteit tussen pleeggezin en gezin van herkomst. Nu zijn er wel aanwijzingen dat overeenkomst in etniciteit leidt tot grotere stabiliteit van een plaatsing (Labrenz et al, 2022). 

Daarnaast groeit het aantal aanwijzingen dat het belangrijk is voor een kind om de cultuur, religie, etniciteit en taal uit het gezin van herkomst te kunnen exploreren, met name in de puberteit (Degener, 2021; Bartelink et al, 2023; Van de Koot-Dees et al., 2023). Degener heeft het in dit verband over ‘identiteitsversterkend handelen’ in pleegzorg (Degener, 2023). Matching op deze terreinen kan eraan bijdragen dat ouders de matching accepteren.

Identiteitsvorming bij transculturele plaatsingen

Pleegkinderen in transculturele, transreligieuze en transetnische plaatsingen staan voor een grote ontwikkelingstaak wat betreft hun (meervoudige) identiteitsvorming (Van Bergen et al, 2020; Degener, 2021). Op school verschillen ze van hun leeftijdsgenoten doordat ze pleegkind zijn. En in hun pleeggezin ervaren ze anders te zijn als hun pleeggezin erg verschilt qua levensbeschouwing, cultuur of etniciteit. Zeker als ze tot een culturele, etnische of religieuze minderheid behoren. Deze kinderen kunnen te maken krijgen met discriminatie (Degener, 2021). Die kan heel subtiel zijn (ervaringen herzieningswerkgroep, 2024; pleegzorg.nl). 

Ruimte en aandacht voor identiteitsontwikkeling

In de puberteit lijken identiteitsvragen voor pleegkinderen belangrijker te worden en tot conflicten te leiden, terwijl zij zich eerder vooral leken aan te passen aan het pleeggezin (Bartelink et al., 2023; Van de Koot-Dees et al., 2023). Het is belangrijk dat pleegkinderen van zowel pleegouders als ouders ruimte krijgen om identiteitsvragen te exploreren. Zodat ze een positieve, meervoudige identiteit kunnen ontwikkelen. En dat deze kan veranderen of verschuiven zonder dat dit de relaties met ouders of pleegouders onder zware druk zet. Als pleegzorgprofessional kun je zowel pleegouders als ouders en pleegkinderen ondersteunen door identiteitsversterkend te handelen (zie voor praktische aanwijzingen Degener, 2023). 

Zowel Degener (2023) als de herzieningswerkgroep (2024) wijzen wat betreft identiteitsvorming ook op seksualiteit en gender. Pleegouders moeten in staat zijn hiervoor een veilige en respectvolle omgeving te creëren. 

5.1.4. Extra ondersteuning

Toelichting op de aanbeveling

  • Is een optimale match niet mogelijk, zorg dan voor extra ondersteuning, concrete afspraken en passende begeleiding voor kind, ouders en pleegouders.

Bleek het niet mogelijk om broertjes en zusjes samen te plaatsen of is er sprake van transreligieuze, transetnische of transculturele plaatsingen, maak dan bij de matchingsovereenkomst concrete afspraken tussen het gezin van herkomst en het pleeggezin. Evalueer deze afspraken regelmatig en kijk daarbij steeds naar de wensen van het pleegkind en het gezin van herkomst. Hierbij zijn afspraken tot contactbehoud en contactherstel van belang (zie de richtlijn Uithuisplaatsing en terugplaatsing). 

5.1.5. Samenwerken

Toelichting op de aanbeveling

  • Ondersteun pleegouders om een goede samenwerkingsband op te kunnen bouwen met de ouders van het pleegkind. Investeer in de samenwerking met de ouders en werk eraan dat de ouders de plaatsing leren verdragen. Schakel hulp in voor de ouders, in het omgaan met hun verdriet en rouw, en in het vergroten van hun opvoedvaardigheden. 

In succesvolle pleegzorgplaatsingen zijn pleegouders bereid om samen te werken met de ouders van het kind (Day et al, 2018; Van Holen et al, 2019). Conflicten tussen ouders en pleegouders vergroten het risico op breakdown (Vanderfaeillie et al, 2018), terwijl goede relaties het risico juist verminderen (Hedin, 2015; Konijn et al, 2019). Het is daarom van belang om pleegouders te werven die openstaan voor gedeeld opvoederschap. Zodat je bij de werving concrete afspraken kunt maken om te komen tot een gedeeld opvoederschap voor het kind. 

5.1.6. Factoren bij een breakdown

Toelichting op de aanbevelingen

  • Zet bij pleegkinderen die kampen met gedragsproblemen en al veel verplaatsingen achter de rug hebben altijd adequate pleegzorgbegeleiding in. Zeker als de gedragsproblemen voortkomen uit een problematische gehechtheid of trauma. Is deze specifieke begeleiding niet mogelijk, overweeg dan of een pleegzorgplaatsing wel de beste optie is. Bij een plaatsing is het risico op een breakdown en daarmee extra schade voor het pleegkind namelijk erg groot. Plaatsing in een gezinshuis kan passender zijn, omdat de gezinshuisouder vanuit diens professionaliteit meer tijd en vaardigheden heeft om het kind te begeleiden rond trauma en gehechtheid. 

  • Wees in de opvoedingsondersteuning van pleegouders alert op het gedrag van de pleegouders. Ondersteunen zij het pleegkind onvoldoende, oefenen ze te veel controle uit en straffen ze inconsequent, dan vergroot dat de kans op probleemgedrag bij het pleegkind en daarmee op een breakdown. Probeer dit opvoedgedrag om te buigen. Geef aan dat agressief of teruggetrokken gedrag van het pleegkind geen persoonlijke aanval of afwijzing van de pleegouders is. Help pleegouders om te zien wat het gedrag bij hen oproept en losmaakt, zodat hun opvoedvaardigheid kan verbeteren.

  • Zet bij pleegkinderen met gedragingen die als ernstig gezien worden naast gewone pleegzorgbegeleiding ook specialistische pleegzorg in. Of ondersteun de pleegouders met een intensieve en aanvullende trainingen, zoals Zorgen voor getraumatiseerde kinderen of Integratief opvoeden. 

Uit recente (meta)onderzoeken blijkt dat gedragsproblematiek van pleegkinderen en opvoedingsproblemen van pleegouders de meeste kans op breakdown geven (Vanderfaeillie et al., 2018; Konijn et al., 2019). Vanderfaeillie et al. noemen als derde grote factor conflicten tussen pleegouders en de ouders van het pleegkind. Konijn et al. constateren dat bestandspleegzorg meer risico op breakdown geeft dan netwerkpleegzorg. Ook andere pleegkind- en pleeggezinfactoren kunnen de stabiliteit van een plaatsing beïnvloeden. 

Pleegkindfactoren

Naast de matching beïnvloeden allerlei andere factoren tijdens de plaatsing van het pleegkind in het pleeggezin de stabiliteit van die plaatsing. In de literatuur blijken deze pleegkindfactoren voorspellend voor een breakdown:

Gedragsproblematiek

De grootste instabiliteit ligt in gedragsproblematiek bij pleegkinderen. Dit kan zowel oorzaak als gevolg zijn van de pleegzorgplaatsing (Konijn et al, 2019; Vanderfaeillie et al, 2018). Externaliserende gedragsproblematiek geeft een nog groter risico. Achter deze gedragingen, die opvoeders als problematisch ervaren, zitten vaak patronen van wantrouwen en angst. Dit gedrag kan gezien worden als signaal- of overlevingsgedrag, waar hechtingsproblematiek achter zit (Herzieningswerkgroep, 2024). 

Leeftijd

Hoe ouder het pleegkind bij plaatsing is, hoe groter de kans op een breakdown (Konijn et al., 2019; Vanderfaeillie et al, 2018). Bij pleegkinderen ouder dan 10 jaar is de kans op een breakdown ongeveer tien keer zo groot (Strijker et al, 2005). 

Geschiedenis van verplaatsingen

Het aantal overplaatsingen in het verleden lijkt een gering effect te hebben, hoewel dit voor jongens sneller leidt tot instabiliteit (Konijn et al, 2019). Vanderfaeillie et al. zagen wel dat een geschiedenis van veel verplaatsingen leidt tot instabiliteit. Eerder vond ook Oosterman dat meer verplaatsingen, met name vanuit residentiële zorg, leiden tot meer probleemgedrag op latere leeftijd (Oosterman et al., 2007). Verwey-Jonker Instituut (Peper et al., 2024) heeft een onderzoek gedaan naar de ervaringen van jongeren met doorplaatsingen in residentiele setting, pleegzorg en gezinshuizen. Uit dit onderzoek blijkt dat jongeren het vaak niet eens waren met de doorplaatsing, dat zij daar niet of nauwelijks in gehoord zijn en dat vele jongeren een steunfiguur hebben gemist in die periode.

Mishandeling

Als kinderen mishandeld zijn, vergroot dit de kans op een breakdown. Dit geldt nog sterker voor kinderen uit minderheidsgroeperingen, die mogelijk ook te maken hebben gehad met bijvoorbeeld discriminatie en armoede (Konijn et al, 2019; Vanderfaeillie, 2018). Vanderfaeillie et al. noemen daarnaast mentale problemen als risicofactor. Ook beschrijft de literatuur dat het aantal trauma’s en de aanwezigheid van een hechtingsstoornis voorspellend kunnen zijn voor een breakdown. Hoe meer trauma’s het kind heeft opgelopen, hoe groter de kans op een breakdown (Weiner et al., 2011, Strijker & Knorth, 2007). Daarbij draagt trauma bij aan hechtingsproblemen. Dit kan meer probleemgedrag opleveren.

Gender en etniciteit

Er is geen duidelijke relatie tussen gender en etniciteit enerzijds en breakdown anderzijds. Konijn et al. vonden geen significant verband. 

Misbruik

Er is een relatie tussen de duur van misbruik in het gezin van herkomst en de kans op een breakdown. Hoe langer het misbruik, hoe groter de kans op een breakdown. Er is geen duidelijke relatie tussen de aard en ernst van verwaarlozing of misbruik in het verleden en de kans op een breakdown. 

Instemmen met plaatsing

Pleegkinderen die instemmen met de plaatsing en prosociaal gedrag vertonen hebben minder kans op een breakdown.

Pleeggezinfactoren

De volgende conclusies beschrijven de relatie tussen pleeggezinfactoren en het risico op het ontstaan van een breakdown:

Opvoedvaardigheden

Minder goede opvoedvaardigheden en opvoedingsproblemen bij pleegouders hangen samen met instabiliteit. Goede opvoedvaardigheden zijn juist een beschermende factor tegen breakdown (Vanderfaeillie, 2018; Konijn et al, 2019). Vanderfaeillie et al. wijzen erop dat pleegouders hierin niet altijd ondersteuning ontvangen. Therapeuten wijzen erop dat sommige pleegouders zelf onverwerkte trauma’s meedragen, die hun opvoedvaardigheden kunnen ondermijnen (Ervaring Herzieningswerkgroep, 2024). 

Zijn pleegouders zowel ondersteunend als controlerend in hun opvoeding, dan bevordert dit de continuïteit van de plaatsing. Ook blijkt dat plaatsingen minder vaak eindigen in een breakdown als pleegouders toezicht houden, aansluiten bij de ontwikkelingsleeftijd van het pleegkind, en het pleegkind de mogelijkheid bieden om over het verleden te praten. 

Als pleegouders het gedrag van kinderen als zeer problematisch ervaren, zijn ze geneigd om minder autoritatief (liefdevol ondersteunend en begrenzend tegelijk) op te voeden en eerder autoritair op te treden en negatieve opvoedstrategieën in te zetten. Als zeer problematisch ervaren gedrag van een kind zet de plaatsing onder druk. Er zijn aanwijzingen dat pleegouders ondersteunen in het traumasensitief omgaan met probleemgedragingen meer helpt dan focussen op het verminderen van de gezinsbelasting.

Pleegoudertrainingen met de focus op positief opvoedersgedrag resulteren in een vermindering van gedragsproblemen. Dergelijke trainingen zijn het efficiëntst gedurende het verblijf van het pleegkind in het pleeggezin. Zo kunnen pleegouders de vaardigheden ter plekke oefenen en feedback krijgen op het gebruik ervan.

Netwerkplaatsingen

Netwerkplaatsingen blijken regelmatig stabieler dan bestandsplaatsingen. Dit kan komen doordat er minder gedragsproblematiek speelt in netwerkpleeggezinnen, maar ook doordat deze plaatsingen vertrouwder zijn voor het kind, doordat kinderen meer contact hebben met hun ouders, en door de loyaliteit en familieverbondenheid (onvoorwaardelijke liefde) van veel netwerkpleegouders (Konijn et al, 2019). 

Relatie pleegouders en ouders

Een problematische relatie tussen pleegouders en de ouders van het pleegkind kan leiden tot een breakdown. Vanderfaeillie et al. vonden zo’n problematische relatie bij 25% van de breakdowns in hun onderzoek. In sommige gevallen werd ook als oorzaak genoemd dat ouders blijvend moeite hebben met de beslissingen van instanties (Vanderfaeillie, 2018). 

Relatie pleegkind en het pleeggezin

Hoe beter de verhouding is tussen het pleegkind en het pleeggezin, hoe groter de daadwerkelijke ondersteuning van pleegouders (waar ze om gevraagd hebben). En hoe groter de betrokkenheid van de pleegouders is bij de ambulante behandeling van het pleegkind, hoe beter de uitkomst van de pleegzorg.

Pleeggezin

Er is geen relatie tussen de leeftijd van de pleegouders en de kans op een breakdown. Ook de overeenkomst in leeftijd van pleegkinderen en eigen kinderen houdt geen verband met de kans op een breakdown. Dit geldt ook voor het aantal kinderen in het gezin. Wel is er een relatie tussen de plaats in de kinderrij van het pleegkind en de kans op een breakdown. Als het pleegkind de oudste in de kinderrij is, neemt de kans op een breakdown toe.

Er zijn aanwijzingen dat er vaker een breakdown plaatsvindt als het welbevinden van de eigen kinderen in gevaar komt door het probleemgedrag van het pleegkind.

Ouderfactoren en interculturele factoren

De relatie tussen ouderfactoren en interculturele factoren en het risico op het ontstaan van een breakdown is als volgt samen te vatten:

  • Pleegkinderen van ouders met een alcohol- of drugsprobleem hebben een grotere kans op een breakdown.
  • Als pleegouders of ouders culturele, etnische of levensbeschouwelijke verschillen als cruciaal en problematisch ervaren, kan dit leiden tot conflicten die de stabiliteit van de plaatsing in gevaar brengen (Bartelink, 2023; Van de Koot-Dees, 2023). Verschillen binnen levensbeschouwingen kunnen als minstens zo problematisch worden ervaren als verschillen tussen levensbeschouwingen (Van de Koot-Dees et al, 2023).
  • Er zijn geen studies die het effect van religie, cultuur of etniciteit op breakdown specifiek onderzoeken. Wel constateert onderzoek onder orthodox-christelijke gezinnen dat de inbreng van de ouders op de religieuze identiteitsvorming van pleegkinderen geringer lijkt dan die van pleegouders (Bartelink et al, 2023).
  • Uitkomsten van onderzoek naar de invloed van oudercontacten op een breakdown laten geen eenduidig beeld zien. Hoewel ouder-kindcontacten een positieve invloed op de stabiliteit van de plaatsing kunnen hebben, laat onderzoek ook zien dat contact tot (soms heftige) conflicten tussen de betrokkenen in het pleegzorgproces (pleegouders, pleegkind, hulpverlening) kan leiden. Dit heeft een negatief effect op de stabiliteit van de plaatsing.

Vanderfaeillie et al. wijzen erop dat de kans op een breakdown toeneemt als een kind geen toegang heeft tot therapie die wel nodig is (Vanderfaeillie et al, 2018). De herzieningswerkgroep 2024 geeft aan dat het heel belangrijk is dat ouders de plaatsing verdragen en hun kind toestemming geven om in het pleeggezin te wonen. Ook samenwerking tussen ouders en pleegouders draagt bij aan de continuïteit van de plaatsing. Methodische ondersteuning voor pleegzorgbegeleiders om dit te bereiken is een belangrijk aandachtspunt. Samenwerking gaat hier uitgebreider op in. De herzieningswerkgroep 2024 benoemt ook hechtingsproblemen als risicofactor voor een breakdown. Zowel in de matching als in de begeleiding is het belangrijk om aandacht te hebben voor de gehechtheid van pleegkinderen en de wisselwerking met de gehechtheidsrepresentaties van de pleegouders. Zet hier zo nodig extra begeleiding voor in, dus aanvullende begeleiding op de reguliere pleegzorgbegeleiding.

Zie ook de richtlijn Ernstige gedragsproblemen voor meer handelingsperspectief of Volgen en stimuleren van ontwikkeling van pleegkinderen.

5.1.7. Risico op breakdown

Toelichting op de aanbevelingen

  • Signaleer risico’s op een voortijdige beëindiging van de plaatsing en pak deze aan.

  • Zet om een breakdown te voorkomen zo nodig interventies in gericht op het verminderen van kindproblemen of het versterken van opvoedingsvaardigheden. Bijvoorbeeld traumasensitief pleegouderschap.

Als pleegzorgbegeleider is het belangrijk om je bewust te zijn van factoren die het risico op een breakdown vergroten. Denk aan de leeftijd van het kind, emotionele of gedragsproblemen, eerdere hulpverlening, trauma’s en hechtingsproblematiek. Dit vraagt om vroegtijdig anticiperen. 

Als betrokken pleegzorgmedewerkers voorafgaand aan de plaatsing meerdere risicofactoren signaleren, moeten er ‘waarschuwingslampjes’ gaan branden (Strijker & Knorth, 2007). Een nauwkeurige analyse van de hulpvraag van het kind én de benodigde kwaliteiten van het pleeggezin is dan essentieel. Is er sprake van een niet-optimale match? Dan kan deze analyse helpen om direct bij de start van de plaatsing aanvullende ondersteuning te regelen voor het kind of het gezin om de kans op een succesvolle plaatsing te vergroten (Van Oijen, 2010). 

Opvoedstress en uitval van pleegouders

Pleegouders ervaren meer opvoedingsstress dan ouders van eigen kinderen (Bastiaensen, 2001). Die stress kan het risico op een breakdown vergroten (Maaskant, 2016). De afgelopen jaren is er meer aandacht voor de hoge uitval onder pleegouders: meer dan de helft stopt ermee (Abrahamse et al, 2019). Dit gebeurt bijvoorbeeld door problemen met het zorgsysteem, zoals het contact met jeugdbeschermers en ondersteuning vanuit pleegzorgorganisaties. Of door de impact op het eigen gezin, een moeizame relatie met de ouders van het pleegkind of de problematiek van het pleegkind (Abrahamse et al, 2019).

Aandacht voor de eigen kinderen

Uit Vlaams onderzoek naar eigen kinderen van pleegouders blijkt dat pleegmoeders geneigd zijn om de problemen van pleegkinderen te overschatten vergeleken met de problemen van eigen kinderen. En dat ze de gewenning van pleegkinderen en cohesie in het pleeggezin hoger inschatten dan hun eigen kinderen (Gypen et al, 2020). 

Volgens de onderzoekers krijgen de eigen kinderen van pleegouders te weinig aandacht van zowel professionals als ouders. Ze pleiten ervoor om bij de matching ook de eigen kinderen te betrekken, hun rol te erkennen en hen beter te begeleiden bij gedragsproblemen van pleegkinderen (Gypen et al., 2020).

Tegelijk is uit eerdere onderzoeken bekend dat pleegzorgplaatsingen eerder afgebroken worden als pleegouders zorgen hebben over hun eigen kinderen (Gypen et al, 2020). Eigen kinderen zijn overigens ook positief over hun pleegbroer- of zus en geven aan dat ze verdrietig zouden zijn als een plaatsing eindigt. 

Zie Volgen en stimuleren van ontwikkeling van pleegkinderen.

5.1.8. Psycho-educatie

Toelichting op de aanbevelingen

  • Leg het accent in de pleegzorgbegeleiding niet zozeer op de ervaren belasting voor het pleeggezin, maar op het sensitief-responsief en traumasensitief opvoedgedrag van de pleegouders. Bied de pleegouders psycho-educatie, opvoedingsondersteuning en opvoedtraining met behulp van het lokale team of specialisten uit de jeugdhulp. Dit helpt meer om een breakdown te voorkomen dan een focus op de ervaren belasting voor het pleeggezin.

  • Ondersteun pleegouders zodat ze goed om kunnen gaan met het signaalgedrag of de beperking van hun pleegkind. Ondersteun pleegouders in het onderkennen en interpreteren van afwijkend en leeftijdsadequaat gedrag, maar ook bij het onderkennen van trauma.

  • Bevorder in de opvoedingsondersteuning van pleegouders dat zij:

    • ondersteunen (bemoedigen, gewenst gedrag positief bekrachtigen, helpen, affectie tonen);
    • toezichthouden (reguleren van kindgedrag met uitleg, aanwijzingen en consequent leidinggeven);
    • aansluiten bij de ontwikkelingsleeftijd van het kind;
    • het pleegkind de mogelijkheid bieden over diens verleden te praten;
    • ruimte geven aan de eigenheid en identiteitsvorming van het kind.

Vroege signalering voorkomt breakdowns

Als pleegzorgbegeleider heb je de belangrijke taak om zowel voorafgaand als gedurende de plaatsing te signaleren of pleegouders de opvoeding en verzorging van het pleegkind aankunnen. Om zo het afbreken van een pleegzorgplaatsing te voorkomen (De Baat & De Lange, 2013). 

Uit onderzoek blijkt dat de gezinsbelasting van het pleeggezin niet direct van invloed is op het ontstaan van signaalgedrag (eerder wel ‘probleemgedrag’ genoemd) van het kind (Vanderfaeillie et al., 2009). Pleegouders ondersteunen om de gezinsbelasting te verminderen is daarom mogelijk weinig effectief. 

Maar uit de praktijk komen signalen dat pleegzorgbegeleiders pleegouders wel handvatten kunnen bieden om met stress om te gaan en te zorgen voor ontspanningsmogelijkheden of een adempauze, zoals weekendpleegzorg elders. Je kunt hiervoor cursussen aanbieden, bijvoorbeeld gericht op vitaal blijven, en op omgaan met probleemgedrag door de onderliggende oorzaken te herkennen. 

Wanneer een plaatsing toch eindigt in een breakdown, is het belangrijk om nazorg te bieden. Met aandacht voor gevoelens van rouw en verdriet van het gehele pleeggezin: zowel de pleegouders als hun eigen kinderen (Abrahamse et al., 2019). 

Psycho-educatie als kern van ondersteuning

Ondersteuning van pleegouders moet vooral bestaan uit psycho-educatie. Van reguliere opvoedingsondersteuning (positief opvoeden) tot ondersteuning die specifiek gericht is op wat in pleegzorg speelt (trauma, gehechtheid, samenwerken met ouders) en opvoedtraining bij als problematisch ervaren gedrag. 

Pleegouders kunnen leren om op een positieve manier met dit signaalgedrag van hun pleegkind om te gaan. Het resultaat: minder problematisch ervaren gedrag en minder voortijdig afgebroken pleegzorgplaatsingen (Rock et al., 2015; Chamberlain et al., 1992; Fisher et al., 2000; Kalland & Sinkkonen, 2001). 

Zulke trainingen zijn het efficiëntst gedurende het verblijf van het pleegkind in het pleeggezin (en dus niet enkel voor aspirant-pleegouders). Dan kunnen de pleegouders de aangeleerde vaardigheden ter plekke oefenen (bij voorkeur met het aanwezige pleegkind), en hulp en feedback krijgen (Dorsey et al., 2008). 

Zet in het begin (en zo mogelijk ook in het vervolg) van de plaatsing zo mogelijk Video-Interactie Begeleiding in om pleegouders te begeleiden in de dagelijkse interactie met het pleegkind. Vergeet daarbij ook de eigen kinderen van pleegouders niet, want zij krijgen vaak met hetzelfde gedrag te maken. 

Specifieke uitdagingen tijdens de plaatsing

Gedurende de plaatsing krijgen pleegouders vaak te maken met gedragingen van hun pleegkind die zorgwekkend zijn of een grote impact hebben op het dagelijks leven van het pleeggezin. Daarnaast kunnen kinderen bijvoorbeeld een (licht) verstandelijke beperking of een andere diagnose hebben waar de pleegouders nog geen ervaring mee hebben. 

Interventies gericht op problemen die het kind ervaart of op vergroting van hechtingssensitief pleegouderschap kunnen de gehechtheidsrelatie bevorderen.

Meer informatie over de begeleiding van pleegouders en effectieve interventies voor pleegkinderen, staat in Volgen en stimuleren van ontwikkeling van pleegkinderen. Er is uit de literatuur nog weinig bekend over netwerkgericht werken en de werkzame elementen hiervan binnen de pleegzorg, maar uit de praktijk is de verwachting dat een krachtig netwerk met belangrijke personen rond pleegouders een breakdown kan voorkomen (Windesheim 2017). Het benutten van het netwerk wordt in Samenwerking behandeld.

5.1.9. Stabiliteit als uitgangspunt

Toelichting op de aanbevelingen

  • Beperk overplaatsingen tot een minimum.

  • Is overplaatsing toch nodig, zorg dan dat er een goede kennismakings- en gewenningsperiode is, passend bij de leeftijd van het pleegkind.

Stabiliteit en continuïteit van pleegzorgplaatsingen zijn essentieel voor de ontwikkeling van pleegkinderen. Het hele pleegzorgproces moet dan ook inzetten op het voorkomen van verplaatsingen van kinderen. Soms is een overplaatsing toch nodig. Gaat een pleegkind met een maatregel voor ondertoezichtstelling (OTS) van het ene pleeggezin naar het andere, dan bepaalt de wet Herziening Kinderbeschermingsmaatregelen dat de kinderrechter daarbij het besluit neemt of overplaatsing gerechtvaardigd is in de ontwikkeling van het kind. In het vrijwillig kader beslissen ouders hierover. 

Aandacht voor een zorgvuldige overgang

Als een overplaatsing om welke reden dan ook gewenst, noodzakelijk of onvermijdelijk is, moeten alle betrokkenen zich inzetten om deze stressvolle gebeurtenis zo soepel mogelijk te laten verlopen.

Uitgangspunten bij overplaatsing

Algemene, niet leeftijdsgebonden uitgangspunten om de stress tijdens het traject van de overplaatsing te verminderen zijn het bevorderen van continuïteit, overzichtelijkheid en afstemming (Bastiaensen & Kramer, 2012). 

Concreet betekent dit onder meer:

  • Benoem de reden van de overplaatsing zo duidelijk en kort mogelijk en zo dicht mogelijk bij de realiteit blijvend. En beantwoord vragen van het pleegkind hierover.
  • Wees zo eenduidig mogelijk in de boodschap die alle betrokkenen aan het pleegkind geven.
  • Maak de toekomstige woonplek zo concreet mogelijk (laat het nieuwe huis, bed, stoel, dieren, speelgoed en mensen zien).
  • Opvoeders geven toestemming voor de nieuwe plek en bereiden daarop voor.
  • Ondersteun het traject van overplaatsing visueel met bijvoorbeeld een kalender of pictogrammen.
  • Bouw zo veel mogelijk bekendheid en vertrouwdheid voor het pleegkind in qua plaats en personen die het traject begeleiden.
  • Begrens momenten van afscheid en omschakeling in tijd en laat deze volgens een ritueel verlopen, met ruimte voor alle emoties.
  • Zorg voor zo volledig mogelijke eenheid en (schriftelijke) overdracht rond praktische zaken die voor het pleegkind van belang zijn. Denk aan zindelijkheid, voeding, medicijngebruik, verzorgende spullen, gewoontes rond eten en slapen, geloofsovertuiging en rituelen binnen het gezin, en aan persoonlijke eigendommen als knuffel, speentje, speelgoed, kleding, fotoboeken en levensboek. Verhuis deze respectvol (niet in vuilniszakken, maar in tassen of dozen).
  • Zorg voor een gewenningsperiode waarin pleegouders en pleegkind steeds meer tijd met elkaar doorbrengen. 

5.1.10. Relationale stabiliteit

Toelichting op de aanbeveling

  • Houd de relationele stabiliteit van het kind, diens levenslange verbondenheid met anderen – binnen en buiten de familie – voor ogen. En besteedt aandacht aan de nazorg voor het pleeggezin en de ouders.

Zorg voor nazorg bij terugplaatsing, overplaatsing of breakdown

Bij een terugplaatsing, overplaatsing of breakdown is het belangrijk om ook het pleeggezin, ouders en kinderen, nazorg te bieden. En om te onderzoeken hoe het contact met het voormalig pleegkind een vorm kan krijgen die bij iedereen past.

De wens van het kind is leidend. Betrek het kind op een manier die past bij diens leeftijd en capaciteiten. Bereid het nieuwe pleeggezin voor op het continueren van dit contact en het belang daarvan. Kijk verder dan de duur van de plaatsing of de periode in jeugdzorg.

Vormgeven van contact met voormalig pleegouders

Bekijk op welke manier het contact met de voormalig pleegouders een passende vorm kan krijgen. Houd daarbij rekening met de wensen van pleegkind en pleeggezin: hoe zij vorm willen geven aan hun relatie nu zij niet meer in hetzelfde huis wonen. Stem dit ook goed af met de nieuwe verzorgers van het kind, zodat een goede samenwerking kan ontstaan — in het belang van het kind. Besteed daarnaast aandacht aan wat dit afscheid betekent voor het voormalig pleeggezin, de pleegouders en hun kinderen, en de ouders. Voorzie hen allemaal van passende nazorg. 

Bewaak gehechtheidsrelaties en relationele continuïteit

Na over- of terugplaatsing is het van belang om eerdere gehechtheidsrelaties te respecteren en bewaken, los van de kwaliteit ervan. Dit geldt ook voor de relatie met de voormalig pleegouders. Pleegkinderen van alle leeftijden zijn bij een overplaatsing gebaat bij stabiele en continue (gehechtheids-)relaties. 

Waarborg zoveel mogelijk de voortzetting van contacten met eerdere gehechtheidspersonen – dit kunnen ook voormalige pleegouders zijn. Zulke relaties dragen bij aan het bredere gehechtheidsnetwerk van het pleegkind en kunnen steun bieden in moeilijke of juist mooie tijden. 

Het is cruciaal voor het zelfbeeld en de zelfwaardering van kinderen dat volwassenen die hen waarderen op een of andere manier in hun leven aanwezig blijven. Ook wanneer je als pleegzorgbegeleider langdurig bij het kind betrokken bent, kun je zo’n belangrijke rol blijven spelen.

Relationele stabiliteit: een fundament voor later

Vanuit het levensloopperspectief van het pleegkind is relationele stabiliteit — ook wel relational permanence — belangrijk voor het latere leven als volwassene met (pleeg)zorgervaring (Ball et al, 2021; Cushing et al., 2014). Relationele stabiliteit is een ‘gelaagd concept dat relaties met ouderfiguren en andere ondersteunende volwassenen omvat, die gekenmerkt worden door emotionele kwaliteit, continuïteit, en fungeren als een vangnet’ (Ball et al, 2021). 

Bepaal de frequentie van het blijvende contact op basis van de behoeften van het kind. Wanneer contact om zwaarwegende redenen niet meer mogelijk is, is het aan te raden om zowel pleegouders als pleegkind te stimuleren elkaar iets tastbaars mee te geven. Als symbool voor de relatie die ze hadden tijdens het verblijf in het pleeggezin.

6. Veiligheid in pleeggezinnen

Over veiligheid in pleeggezinnen

Kinderen in de pleegzorg hebben volgens het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind recht op bijzondere bescherming van hun veiligheid. De staat is verplicht om toezicht te houden op de veiligheid van kinderen in een pleeggezin en hen te beschermen tegen kindermishandeling (paragraaf 6 en 13 van de Richtlijnen Alternatieve Zorg; artikel 19 en 20 IVRK). In deze bouwsteen gaat het om het waarborgen van de veiligheid van kinderen die in het pleeggezin geplaatst zijn. Ook de veiligheid van eigen kinderen van pleegouders is essentieel, net als de veiligheid van de pleegouders zelf. Maar dit valt buiten de uitgangsvraag.

De aanbevelingen zijn bedoeld voor jeugdprofessionals betrokken bij de pleegzorg. Dit zijn zowel de pleegzorgbegeleiders als andere jeugdprofessionals die betrokken zijn bij de ondersteuning van kinderen, ouders of pleegouders. Gedragswetenschappers vervullen hierbij vooral een ondersteunende rol. 

Vraag en aanbevelingen

6.1. Veiligheid van pleegkinderen

Wat is er nodig in de voorbereiding en tijdens de plaatsing, overplaatsing, of terugplaatsing om de veiligheid van kinderen in pleegzorg te kunnen beschermen?

Aanbevelingen

6.1.1. Veiligheid in het pleeggezin

  • Zorg dat het kind in het pleeggezin veilig is door pleeggezinnen zorgvuldig te screenen, de veiligheid van het kind structureel te monitoren en pleegouders gedurende de pleegzorgplaatsing te begeleiden.

6.1.2. Goede voorbereiding voor een veilige plaatsing

  • Screen aspirant-pleeggezinnen conform de vereisten van de Jeugdwet en het Kwaliteitskader voorbereiding en screening aspirant pleegouders. Doe dit ook bij netwerkpleeggezinnen als een kind daar al verblijft.

  • Ga na of pleegouders voldoende met hun eigen stress weten om te gaan. Geef zo nodig psycho-educatie en training om stress te signaleren en hanteren. Spreek eventueel ook met andere pleegkinderen uit het pleeggezin. 

6.1.3. Voorgeschiedenis

  • Stel pleegouders op de hoogte van de voorgeschiedenis van een kind. 

  • Bereid pleegouders goed voor op de plaatsing van een (seksueel) getraumatiseerd kind. 

6.1.4. Veiligheid als terugkerend thema

  • Besteed in de pleegouderbegeleiding structureel aandacht aan veiligheid, voorkómen van mishandeling, de normale seksuele ontwikkeling, seksueel afwijkend gedrag (zoals seksueel wervend of grensoverschrijdend gedrag), seksueel misbruik en machtsrelaties. 

  • Zorg dat pleegouders samen met (pleeg)kinderen het gesprek aangaan over veiligheid in huis en huisregels opstellen voor bijvoorbeeld (lichamelijk) contact, het op slot doen van deuren en (gedeeltelijk) naakt door het huis lopen.

6.1.5. Inschatten van veiligheid

  • In de gesprekken die je voert met het kind heb je altijd aandacht voor de veiligheid van het kind. Geef in de gesprekken aan waar het kind terecht kan als het zich tussentijds onveilig voelt. Voer daarnaast gesprekken met andere betrokkenen (mensen uit het netwerk, school, vrijetijdsbesteding of hulpverleners) over de veiligheid in het pleeggezin.  

6.1.6. Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling

  • Als een kind vertelt over een onveilige situatie, blijf dan in nauw contact met het kind. Blijf rustig en complimenteer het kind dat het dit vertelt. Overleg met het kind wat er op welke manier met wie besproken wordt. 

  • Handel conform de Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling.

  • Blijf met het kind in contact, en maak voorspelbaar wat er gaat gebeuren. Ook nadat je een eventuele melding hebt gedaan bij Veilig Thuis of een andere instantie. 

6.1.7. Vertrouwenspersoon

  • Zorg dat er een vertrouwenspersoon is voor elk kind dat in een pleeggezin verblijft. Zoek samen met het kind uit wie deze vertrouwenspersoon kan zijn. Belangrijk is dat een kind zich vrij voelt om met deze persoon alles te bespreken en dat het kind deze vertrouwenspersoon op afgesproken tijden ontmoet. Denk bijvoorbeeld aan een leerkracht, een familielid of een vriend. 

6.1.8. Alertheid op signalen van onveiligheid

  • Wees alert op signalen van onveiligheid en kom zo nodig in actie om de veiligheid van kinderen in een pleeggezin te beschermen. Zorg dat het kind zelf gehoord wordt (zie Participatie van kinderen in de Meldcode Huiselijk Geweld). 

  • Wees alert bij lichamelijke of psychische klachten of stress bij pleegouders en bij moeilijkheden met hun sociale steun. Dit verhoogt het risico op kindermishandeling. 

  • Let op signalen van seksueel misbruik. Let vanwege een verhoogd risico op seksueel misbruik in het bijzonder op bij meisjes, bij kinderen met een licht verstandelijke beperking, en bij kinderen met een voorgeschiedenis van seksueel misbruik. Bespreek mogelijke risico’s met pleegouders en ouders.

6.1.1. Veiligheid in het pleeggezin

Toelichting op de aanbeveling

  • Zorg dat het kind in het pleeggezin veilig is door pleeggezinnen zorgvuldig te screenen, de veiligheid van het kind structureel te monitoren en pleegouders gedurende de pleegzorgplaatsing te begeleiden.

Veiligheid in het pleeggezin is een belangrijk thema. Bij veiligheid gaat het om fysieke, emotionele en seksuele veiligheid. Kinderen hebben een veilige omgeving nodig om zich te ontwikkelen na alles wat ze meegemaakt hebben. 

Mishandeling, kwetsbaarheden en opvoeduitdagingen

Het komt geregeld voor dat kinderen in een pleeggezin (opnieuw) met kindermishandeling te maken krijgen. Naar schatting krijgt 3 tot 19% van de kinderen in een pleeggezin hiermee te maken, tegen 3% van kinderen in Nederland in het algemeen (NJi). Ook blijkt minstens 5% van de kinderen in de pleegzorg seksueel misbruikt te zijn (Commissie Samson, 2012). 

Kinderen in een pleeggezin zijn kwetsbaarder dan kinderen die bij hun eigen ouders opgroeien. Zij hebben vaker een ontwikkelingsachterstand en gedrags- en emotionele problemen. Dit maakt de opvoedtaak voor pleegouders zwaarder. Doordat een kind niet hun eigen kind is, weten ze vaak minder goed hoe ze het best kunnen aansluiten bij het kind. Dat kan leiden tot gevoelens van machteloosheid. 

Ook speelt mee – vooral bij bestandspleegzorg – dat kinderen en pleegouders niet aan elkaar verwant zijn. Dat kan de onderlinge relatie bemoeilijken. Kindermishandeling in pleeggezinnen kan voortbestaan als die gezinnen sterk geïsoleerd zijn, maar het kan ook juist voorkomen in gezinnen die juist hoog aangeschreven staan in de gemeenschap. In dat laatste geval vermoedt niemand wat zich afspeelt in het (pleeg)gezin en ontstaan er geen vragen bij de omgang van de pleegouders met het kind (Commissie De Winter, 2019). Het is daarom van belang om niet alleen bij de screening, maar ook gedurende de plaatsing de veiligheid te blijven monitoren.

Risicofactoren voor kindermishandeling in pleeggezinnen

Een aantal factoren kan de kans op kindermishandeling in een pleeggezin vergroten (o.a. Biehal, 2013; Commissie De Winter, 2019; Commissie Samson, 2012):

  • Geslacht: Meisjes lopen een tweemaal hoger risico op seksueel misbruik dan jongens. Jongens hebben een hoger risico op fysieke mishandeling.
  • Een (licht) verstandelijke beperking: Onder toezicht gestelde kinderen met een verstandelijke beperking hebben een driemaal hoger risico op seksueel misbruik dan jongeren zonder verstandelijke beperking die onder toezicht zijn gesteld.
  • Voorgeschiedenis van seksueel misbruik: Een kind dat eerder seksueel misbruikt is, loopt een groter risico op seksueel misbruik in het pleeggezin dan kinderen zonder een dergelijke voorgeschiedenis. Dit komt doordat de lichamelijke en seksuele ontwikkeling niet op een juiste manier is verlopen.
  • Stress bij pleegouders.
  • Gebrekkige screening en begeleiding van pleegouders.
  • Verlaging van screeningsnormen als er weinig nieuwe pleegouders beschikbaar zijn.
  • Hoge caseload van de pleegzorgbegeleider en jeugdbeschermer, waardoor er onvoldoende toezicht en begeleiding voor het pleeggezin is.

De impact van mishandeling in pleegzorg

Kinderen die in een pleeggezin met kindermishandeling te maken krijgen, raken in feite driedubbel getraumatiseerd: eerst in hun gezin van herkomst, daarna door de uithuisplaatsing en vervolgens door hun ervaringen in het pleeggezin. Zij lopen een grote kans op allerlei psychische en ontwikkelingsproblemen. Denk aan onveilige gehechtheid, externaliserende en internaliserende gedragsproblemen, problemen in de sociaal-emotionele of cognitieve ontwikkeling, trauma en lichamelijk letsel.

6.1.2. Goede voorbereiding voor een veilige plaatsing

Toelichting op de aanbevelingen

  • Screen aspirant-pleeggezinnen conform de vereisten van de Jeugdwet en het Kwaliteitskader voorbereiding en screening aspirant pleegouders. Doe dit ook bij netwerkpleeggezinnen als een kind daar al verblijft.

  • Ga na of pleegouders voldoende met hun eigen stress weten om te gaan. Geef zo nodig psycho-educatie en training om stress te signaleren en hanteren. Spreek eventueel ook met andere pleegkinderen uit het pleeggezin. 

Een goede voorbereiding bij de pleegouders is essentieel voor een veilige plaatsing (Cooley et al., 2019). In het algemeen zijn de volgende onderwerpen belangrijk in gesprekken met (aspirant-) pleegouders: 

  1. Gezag, macht en machtsrelaties
  2. Veiligheid, kindermishandeling en de risico’s in een pleeggezin;
  3. Seksualiteit, afspraken over privacy (online en offline), regels en grenzen, en het voorkomen van ongewenste situaties
  4. Welzijn en zelfzorg van pleegouders (Gowan et al., 2023; Miko et al., 2023)
  5. Stressniveau en stresshantering door pleegouders (Adams et al., 2018; Dowdy-Hazlett & Clark, 2024; Sharda, 2022)
  6. Sociale steun voor pleegouders (Butler & McGinnis, 2021; Dowdy-Hazlett & Clark, 2024; Sharda, 2022) 

Houd bij kinderen met een (licht) verstandelijke beperking rekening met een afwijkende seksuele ontwikkeling (kalenderleeftijd versus ontwikkelingsniveau). 

Beoordeling van de veiligheid 

Het is belangrijk om niet allen oog te hebben voor fysieke veiligheid, maar ook voor emotionele veiligheid. Een checklist kan je helpen om je gedachten te structureren en de informatie die je in de gesprekken verzamelt te ordenen. Checklists kunnen helpen om zowel actuele veiligheid als toekomstige risico’s in te schatten. 

Er zijn weinig specifieke betrouwbare en valide hulpmiddelen voor de pleegzorg. Een voorbeeld voor pleegzorgbegeleiders is de Checklist indicatoren veiligheid kind in (netwerk)pleegzorg (zie bijlage 7 van de Module Pleegzorgbegeleiding). Daarnaast kunnen ook andere instrumenten voor veiligheids- en risicotaxatie helpen bij het beoordelen van veiligheid in pleeggezinnen (zie de richtlijn Kindermishandeling).

Twee situaties vragen bijzondere aandacht bij de beoordeling van veiligheid:

  • Netwerkpleegzorg in het algemeen
  • Crisisplaatsing in netwerkpleegzorg in het bijzonder

Bij netwerkpleegzorg vindt beoordeling van de veiligheid vaak pas plaats nadat een kind geplaatst is. De Jeugdwet (artikel 5.1, lid 3) schrijft voor dat een beoordeling alsnog binnen dertien weken moet plaatsvinden.  Als een acute situatie uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin noodzakelijk maakt, dan moet de gemeente als plaatsende instantie de screening op veiligheid met spoed oppakken. 

In de richtlijn Netwerkpleegzorg gemeente - pleegzorgaanbieders zijn afspraken vastgelegd tussen gemeenten en jeugdhulpaanbieders met pleegzorg over de taken en verantwoordelijkheden tijdens het geschiktheidsonderzoek van aspirant-netwerkpleegouders. De gemeente is als plaatsende instantie verantwoordelijk voor de veiligheid totdat deze een veiligheidstoets heeft uitgevoerd en een beschikking heeft afgegeven.

Snelle screening noodzakelijk

Wanneer een kind al in het netwerkpleeggezin verblijft, is het extra lastig om te besluiten dat de pleegouders niet geschikt zijn voor het opvoeden en verzorgen van dit specifieke kind. Stabiliteit is voor de ontwikkeling van het kind immers óók belangrijk. Daarom moet de screening en voorbereiding zo snel mogelijk plaatsvinden. Blijkt na de screening dat het gezin toch niet geschikt is, zoek dan samen met betrokkenen naar een passende oplossing. Als blijkt dat een kind in een onveilige situatie heeft verbleven, onderzoek dan welke ondersteuning het kind en diens ouders nodig hebben om dit te verwerken. 

Bij het screenen van netwerkpleegouders is het van belang om de criteria te hanteren van ‘goed genoeg’ opvoederschap – zoals verwoord in de richtlijn Gezinnen met meervoudige en complexe problemen. Wanneer netwerkpleeggezinnen, ouders en pleegkinderen begeleiding van een organisatie ontvangen, ontvangen zij tegelijkertijd ook financiële ondersteuning om de kosten van plaatsing te kunnen dragen (artikel 27 IVRK). 

De STAP-training voor aspirant-pleegouders

Een veelgebruikte training voor de voorbereiding van aspirant-pleegouders is STAP. STAP staat voor ‘Samenwerking, Teamgeest, Aspirant Pleegouders’. Tijdens de STAP-training ontdekken aspirant-pleegouders of pleegouderschap bij hen past, stellen ze zo nodig hun beeld over pleegzorg bij en krijgen ze kennis en vaardigheden aangereikt om als pleegouder te kunnen functioneren. Daarbij bouwt de pleegzorgorganisatie met deze training aan een goede samenwerking met pleegouders (Jongeling, 2005). 

Het is belangrijk om pleegouders goed voor te bereiden op de mogelijke stress die de plaatsing van een kind in hun gezin kan geven. Daarbij is het dan ook nodig om hun handvatten te geven om met dergelijke stress om te gaan. Dit kan met psycho-educatie en training. Pleegouders kunnen sterk verschillen in hun gevoeligheid voor eigen signalen van stress. Als pleegzorgbegeleiders is het aan te raden om in te schatten of pleegouders stress goed signaleren en weten hoe zij daarmee omgaan. En om hen zo nodig te helpen zich daar bewust van te worden (Adams et al., 2018; Perry & Winfrey, 2021). 

Plaatsingsinformatie: wat mag je delen?

Daarnaast is het nodig om de plaatsing van een specifiek kind goed voor te bereiden met de pleegouders, zodat zij weten wat ze kunnen verwachten. Stel als pleegzorgbegeleider de pleegouders op de hoogte van de achtergrond van het kind of de kinderen die in het pleeggezin komen (Jeugdwet artikel 5.4). Let op: deel niet méér informatie dan nodig is voor de uitvoering van de pleegouderschapstaak (artikel 16 IVRK).

Preventie van kindermishandeling in pleeggezinnen start bij de screening en selectie voorafgaand aan de plaatsing. Daarvoor zijn twee aspecten in de Jeugdwet vastgelegd: 

  1. Aspirant-pleegouder(s) en alle inwonenden van 12 jaar en ouder hebben een Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) afgegeven door de Raad voor de Kinderbescherming (artikel 5.1, lid 1d). De Raad voor de Kinderbescherming gaat na of er risico’s zijn voor de opvoeding van kinderen in een beoogd pleeggezin. Daarbij raadpleegt de Raad zijn eigen archieven en het Justitieel documentatieregister (ook wel strafbladarchief genoemd).
  2. De pleegzorgaanbieder beoordeelt de geschiktheid van een pleeggezin voor een specifiek kind, waarbij gelet wordt op leeftijd en problemen van het kind, de samenstelling van het aspirant-pleeggezin en de verwachte duur van de plaatsing (artikel 5.1, lid 2) Meer informatie over matching is te vinden bij Stabiliteit en breakdown

Er zijn landelijk zes criteria vastgesteld voor de screening van pleegouders (Jeugdzorg Nederland, 2021): 

  1. Openheid en duidelijkheid;
  2. Samenwerken en delen van het opvoederschap;
  3. Kinderen helpen een positieve kijk op zichzelf te ontwikkelen;
  4. Kinderen helpen hun gedrag te veranderen op basis van het versterken van de eigen krachten en het aanboren van talenten en mogelijkheden van het kind;
  5. Kunnen inschatten welke uitwerking het pleegouderschap op de eigen situatie heeft;
  6. Veiligheid: het bieden van een veilige leefomgeving aan een kind dat in een pleeggezin verblijft.

6.1.3. Voorgeschiedenis

Toelichting op de aanbevelingen

  • Stel pleegouders op de hoogte van de voorgeschiedenis van een kind. 

  • Bereid pleegouders goed voor op de plaatsing van een (seksueel) getraumatiseerd kind. 

Licht pleegouders goed voor over de impact van kindermishandeling en seksueel misbruik op kinderen. Licht pleegouders eveneens goed voor wanneer een kind (seksueel) grensoverschrijdend gedrag vertoont. Maak op basis van de voorgeschiedenis van een kind een risicoanalyse voor eventueel (seksueel) grensoverschrijdend gedrag.
Ga na of de pleegouders mogelijk zelf ervaringen met kindermishandeling of seksueel misbruik hebben. Die kunnen door het gedrag van een kind (opnieuw) getriggerd worden. 

Traumatische ervaringen, ervaringen met kindermishandeling (inclusief seksueel misbruik) of vertoningen van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag kunnen veel invloed hebben op het functioneren van een kind in het pleeggezin. Om ervoor te zorgen dat pleegouders een veilige omgeving aan het kind kunnen bieden, moeten zij hierop voorbereid zijn. Psycho-educatie of een specifieke training voor pleegouders kan helpen bij de voorbereiding. Zo weten ze hoe ze goed kunnen aansluiten bij het kind (Gigengack et al., 2019; Konijn et al., 2020; Maaskant et al., 2016). Hierbij kan de ggz ook een rol spelen. Twee erkende interventies kunnen hierbij helpen: Basic Trust en Zorgen voor getraumatiseerde kinderen

6.1.4. Veiligheid als terugkerend thema

Toelichting op de aanbevelingen

  • Besteed in de pleegouderbegeleiding structureel aandacht aan veiligheid, voorkómen van mishandeling, de normale seksuele ontwikkeling, seksueel afwijkend gedrag (zoals seksueel wervend of grensoverschrijdend gedrag), seksueel misbruik en machtsrelaties. 

  • Zorg dat pleegouders samen met (pleeg)kinderen het gesprek aangaan over veiligheid in huis en huisregels opstellen voor bijvoorbeeld (lichamelijk) contact, het op slot doen van deuren en (gedeeltelijk) naakt door het huis lopen.

Voor pleegzorgbegeleiders is een belangrijke taak gedurende de plaatsing om zicht te hebben op de veiligheid in het pleeggezin. Hiervoor is het essentieel om regelmatig face-to-face contact te hebben met het kind, de ouders, de pleegouders, eigen kinderen van de pleegouders en eventuele andere betrokkenen (mensen uit netwerk of andere hulpverleners). 

Door onder andere deze gesprekken kun je als pleegzorgbegeleider een vertrouwensband met betrokkenen opbouwen, zodat gevoelige onderwerpen bespreekbaar zijn. Ook kun je zo zelf zien hoe kinderen en pleegouders met elkaar omgaan. Het kan een alarmsignaal zijn als pleegouders deze betrokkenheid van de pleegzorgbegeleider en andere professionals afhouden, afspraken afzeggen, of anderszins verhinderen dat er een vertrouwensband kan ontstaan.

Veiligheid als terugkerend thema

Het is belangrijk om voorafgaand en tijdens de plaatsing geregeld de veiligheid te bespreken, zowel met de pleegouders als met het geplaatste kind en diens ouders. Door van veiligheid een regulier bespreekpunt te maken, wordt het minder beladen en is het voor iedereen makkelijker om het te bespreken als er zorgen over ontstaan. Het is van belang om het kind ook individueel te spreken, zodat het vrijuit kan spreken. Daarnaast heeft een kind een vertrouwenspersoon nodig waar het terecht kan. Dit kan een formele vertrouwenspersoon zijn, of iemand uit het netwerk waar het kind een vertrouwensband mee heeft. Tot slot heeft het kind het recht om zorgen of klachten te kunnen uiten en te weten waar en bij wie dit mogelijk is. Informeer het kind over procedures en wat het kan verwachten (ook als er even niets gebeurt). Laat het kind weten bij wie het nog meer terecht kan en vraag met wie het kind het liefst spreekt over thema’s rond veiligheid. 

Belangrijke thema’s voor blijvende veiligheid

Net als in de voorbereiding van pleegouders op een plaatsing is het ook tijdens de plaatsing belangrijk om een aantal onderwerpen met het oog op de veiligheid van geplaatste kinderen te bespreken. 

  • Gezag, macht en machtsrelaties. Het is belangrijk om te bespreken hoe pleegouders omgaan met gezag en met regels en grenzen. Daarbij mag je als pleegzorgbegeleider expliciet stellen dat fysieke straffen verboden zijn.
  • Veiligheid, kindermishandeling en de risico’s in een pleeggezin.
  • Seksualiteit, afspraken over privacy, regels en grenzen, en het voorkomen van ongewenste situaties. Bespreek als pleegzorgbegeleiders met pleegouders hoe zij tegen dit onderwerp aan kijken en maak afspraken met hen over het opstellen van huisregels over (lichamelijk) contact, het op slot doen van deuren en het (gedeeltelijk) naakt door het huis lopen. Zie ook de richtlijn Seksuele ontwikkeling.
  • Welzijn en zelfzorg van pleegouders.
  • Stressniveau en stresshantering door pleegouders.
  • Sociale steun voor pleegouders. 

Extra ondersteuning bij traumatische voorgeschiedenis

Het kan nodig zijn om pleegouders extra ondersteuning te bieden, zodat zij een veilige omgeving voor een kind kunnen bieden. Dit is extra van belang wanneer kinderen een traumatische voorgeschiedenis hebben met kindermishandeling, seksueel misbruik of seksueel geweld. 

Die ondersteuning kan verschillende vormen hebben, zoals:

  • Antwoord geven op opvoedvragen
  • Psycho-educatie
  • Aanleren van opvoedvaardigheden
  • Begeleiding bij het opbouwen van een veilige gehechtheidsrelatie
  • Inzetten van aanvullende interventies of specialistische hulp

Ook kan een training voor pleegouders over kinderen met traumatische (seksuele) ervaringen en het herkennen van bijbehorend probleemgedrag helpen om te voorkomen dat er onveilige situaties in het pleeggezin ontstaan (Cooley et al., 2019; Dalgaard et al., 2022; Uretsky & Hoffman, 2017).

6.1.5. Inschatten van veiligheid

Toelichting op de aanbeveling

  • In de gesprekken die je voert met het kind heb je altijd aandacht voor de veiligheid van het kind. Geef in de gesprekken aan waar het kind terecht kan als het zich tussentijds onveilig voelt. Voer daarnaast gesprekken met andere betrokkenen (mensen uit het netwerk, school, vrijetijdsbesteding of hulpverleners) over de veiligheid in het pleeggezin.  

In elk gesprek dat je voert, is er aandacht voor de veiligheid van het kind. Maak een inschatting van de veiligheid met de betrokkenen (kind, ouders en pleegouders).

Wees je ervan bewust dat het praten over onveilige situaties erg ingewikkeld kan zijn voor een kind maar ook voor jezelf en andere betrokkenen. Vragenlijsten of andere instrumenten helpen om geen belangrijke aandachtspunten over het hoofd te zien. Voor hulpmiddelen verwijzen we naar de richtlijn Kindermishandeling en de gesprekskaarten Samen leren van incidenten. Diverse pleegzorgaanbieders hebben ook eigen hulpmiddelen ontwikkeld voor het beoordelen van de veiligheid in pleeggezinnen. Hiervan is echter onduidelijk of deze voldoende inhoudsvalide zijn. 

Volgens het Kwaliteitskader Voorbereiding en screening in de pleegzorg voert de pleegzorgaanbieder jaarlijks minimaal één evaluatie van de pleeggezinplaatsing uit - waarvan een veiligheidscheck onderdeel uitmaakt - en legt deze vast. De veiligheidscheck dient onder andere als signaleringsmiddel voor onveilige situaties en als kapstok voor een open gesprek over een lastig thema. Indien door de (pleeg)ouder(s), kind, verwijzer of pleegzorgaanbieder gewenst kan deze evaluatie vaker dan één keer per jaar plaatsvinden.

6.1.6. Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling

Toelichting op de aanbevelingen

  • Als een kind vertelt over een onveilige situatie, blijf dan in nauw contact met het kind. Blijf rustig en complimenteer het kind dat het dit vertelt. Overleg met het kind wat er op welke manier met wie besproken wordt. 

  • Handel conform de Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling.

  • Blijf met het kind in contact, en maak voorspelbaar wat er gaat gebeuren. Ook nadat je een eventuele melding hebt gedaan bij Veilig Thuis of een andere instantie. 

Handel bij (signalen van) onveiligheid in een pleeggezin volgens de Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. Het is belangrijk om de meldcode altijd te volgen, ook bij kleine of schijnbaar onbeduidende signalen. Zo kun je de veiligheid tijdig bespreekbaar maken in contacten met kinderen en pleegouders en tijdig passende acties inzetten om schade bij kinderen en pleegouders te voorkomen. Vergeet niet om nauw in contact te blijven met het kind. Betrek het kind ook erbij. Tips over hoe je met een kind praat over vermoedens van kindermishandeling vind je op de website van het Nederlands Jeugdinstituut

De vijf stappen van de meldcode

De meldcode beschrijft in vijf stappen het proces van signaleren en handelen in situaties waarin (vermoedens van) huiselijk geweld of kindermishandeling spelen. 

  1. Breng signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling in kaart.
  2. Overleg met een collega of eventueel Veilig Thuis.
  3. Ga in gesprek met betrokkenen (zie Check je gesprek - Partnerschap als basis voor Oplossingen).
  4. Weeg de ernst van de situatie af.
  5. Neem een beslissing volgens het afwegingskader. 

Een uitgebreide beschrijving van de stappen vind je in de richtlijn Kindermishandeling.

De vijfde en laatste stap is een beslissing nemen. Ook deze stap geldt voor pleegzorgbegeleiders. Het gaat hier niet alleen om het al dan niet melden bij Veilig Thuis, maar ook om – in samenspraak met de verwijzer – te beslissen of het kind in dit pleeggezin kan blijven. Als pleegzorgbegeleider kun je constateren dat ondanks de eerdere screening het vertrouwen in pleegouders verminderd is. In dat geval kun je besluiten om extra begeleiding in te zetten voor pleegouders en kind, of het kind elders te plaatsen.

Gerichte hulp bieden

Is er sprake van kindermishandeling, zet dan diagnostiek en een passend hulpaanbod in, gericht op de drie doelen:

  1. Herstel van veiligheid en een veilige, gezonde leefomgeving voor het kind.
  2. Verwerking of hantering van de gevolgen van de mishandeling, zodat het kind zich weer goed kan ontwikkelen.
  3. Voorkomen van herhaling door de pleger.

Schakel bij specifieke problematiek specialistische hulp in.

Meldrecht, beroepsgeheim en beroepscodes

Pleegzorgbegeleiders en andere hulpverleners hebben een wettelijk meldrecht bij vermoedens van kindermishandeling (artikel 12c lid 3 Wet Maatschappelijke Ondersteuning). Dit meldrecht geeft – ondanks beroepsgeheim – het recht om – zo nodig zonder toestemming van een kind of diens ouders – melding te doen van vermoedens van kindermishandeling bij Veilig Thuis, of in crisissituaties bij de Raad voor de Kinderbescherming. Het beroepsgeheim van jeugdprofessionals (waaronder pleegzorgbegeleiders) ligt vast in de Jeugdwet. Dit beroepsgeheim is uitgewerkt in de beroepscode voor jeugd- en gezinsprofessionals van de beroepsvereniging van professionals in sociaal werk (BPSW), net als in de codes van de Nederlands Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO) en het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP).

6.1.7. Vertrouwenspersoon

Toelichting op de aanbeveling

  • Zorg dat er een vertrouwenspersoon is voor elk kind dat in een pleeggezin verblijft. Zoek samen met het kind uit wie deze vertrouwenspersoon kan zijn. Belangrijk is dat een kind zich vrij voelt om met deze persoon alles te bespreken en dat het kind deze vertrouwenspersoon op afgesproken tijden ontmoet. Denk bijvoorbeeld aan een leerkracht, een familielid of een vriend. 

Om ervoor te zorgen dat kinderen in een pleeggezin eventuele onveiligheid tijdig aankaarten, is het cruciaal dat zij een eigen vertrouwenspersoon hebben. Als pleegzorgbegeleider kun je jaarlijks bij het kind navragen of het contact met de vertrouwenspersoon bestendig is. Onderzoek laat zien dat kinderen vaak lang zwijgen voordat ze iemand vertellen over onveiligheid waar ze mee te maken hebben. Ook blijkt dat ze geneigd zijn om het aan iemand te vertellen die zij vertrouwen. Daarom moet elk kind in de pleegzorg een vertrouwenspersoon hebben met wie het kan bespreken hoe het zich voelt en waar het zich zorgen over maakt. Dit kan bijvoorbeeld een familielid of leerkracht zijn die bereid is om lange tijd met het kind op trekken. Als pleegzorgbegeleider moet je je inspannen om samen met het kind een vertrouwenspersoon te vinden en jaarlijks te checken of het kind nog steeds goed contact met deze persoon heeft. Zie bijvoorbeeld de JIM-aanpak of Jeugdstem.

Rol van de vertrouwenspersoon

Als pleegzorgbegeleider heb je contact met de vertrouwenspersoon van het kind en ondersteun je de vertrouwenspersoon indien nodig en wenselijk. Indien kinderen aan hun vertrouwenspersoon vertellen over een zorgelijke situatie of gebeurtenis, dan is het belangrijk dat diegene goed in contact blijft met het kind. Erken, als vertrouwenspersoon, de gevoelens van het kind en complimenteer het kind dat het dit aan jou vertelt. Het is belangrijk dat de vertrouwenspersoon goed luistert en door te vraagt,  in plaats van direct te handelen. 

Het is belangrijk om het kind te onschuldigen en met het kind te bespreken dat het belangrijk is dat de situatie weer veilig wordt. Vraag aan het kind wat het zou willen en aan wie jullie dit nog meer kunnen  vertellen. Indien nodig kan de vertrouwenspersoon advies vragen aan medewerkers van Veilig Thuis over hoe je hiermee om kan gaan. Blijf, als vertrouwenspersoon, gedurende het proces dat volgt in contact met het kind. 

Kijktip: Webinar Laat me niet los

6.1.8. Alertheid op signalen van onveiligheid

Toelichting op de aanbevelingen

  • Wees alert op signalen van onveiligheid en kom zo nodig in actie om de veiligheid van kinderen in een pleeggezin te beschermen. Zorg dat het kind zelf gehoord wordt (zie Participatie van kinderen in de Meldcode Huiselijk Geweld). 

  • Wees alert bij lichamelijke of psychische klachten of stress bij pleegouders en bij moeilijkheden met hun sociale steun. Dit verhoogt het risico op kindermishandeling. 

  • Let op signalen van seksueel misbruik. Let vanwege een verhoogd risico op seksueel misbruik in het bijzonder op bij meisjes, bij kinderen met een licht verstandelijke beperking, en bij kinderen met een voorgeschiedenis van seksueel misbruik. Bespreek mogelijke risico’s met pleegouders en ouders.

Tijdens de plaatsing van een kind in een pleeggezin is het noodzakelijk dat je alert bent op signalen van onveiligheid en in actie komt om de veiligheid te vergroten. Dat betekent dat je kennis moet hebben over signalen van kindermishandeling de richtlijn Kindermishandeling). Daarbij is zorgvuldigheid en doortastendheid heel belangrijk. Dit voorkomt overhaaste conclusies en acties. Dat vraagt om nauwkeurig onderzoek wat er aan de hand is. Verken daarbij het perspectief van de verschillende betrokkenen. De Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling helpt om vermoedens van kindermishandeling zorgvuldig te onderzoeken en aan te pakken. 

Signaleren en bespreken van onveiligheid

Krijg je als pleegzorgbegeleider signalen van kindermishandeling door gesprekken met betrokkenen of observaties, breng die signalen dan eerst in kaart (stap 1 van de Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling). Alleen als een kind in acuut gevaar verkeert is direct handelen noodzakelijk. Heb je als pleegzorgbegeleider twijfels over de veiligheid in een pleeggezin constateer je onveilige situaties, dan is het belangrijk om dit te bespreken met het kind, de ouders, pleegouders, jeugdbeschermer, collega’s, gedragswetenschapper en leidinggevende (stap 2 en 3 van de Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling). Gebruik bijvoorbeeld deze tool: Check je gesprek tool. Samenwerking met alle betrokkenen is belangrijk om de veiligheid goed in beeld te krijgen en zo nodig te vergroten. Het kan nodig zijn om één persoon expliciet de regie te geven. Deze monitort de voortgang van maatregelen om de veiligheid in beeld te brengen en te vergroten en kan in overleg met de betrokkenen bijsturen.

Zorgvuldige afweging bij onveilige situaties

Blijkt de opvoedsituatie onveilig, dan is zorgvuldige overweging nodig voor de best passende oplossing (stap 4 van de Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling). Ook in deze stap is het van belang de stem van het kind serieus te nemen (zie de handreiking Participatie van kinderen in de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling). Daarbij maakt het uit of er sprake is van acute onveiligheid. Bij acute onveiligheid is er een levensbedreigende situatie of direct gevaar voor het kind. Bij acute onveiligheid is het noodzakelijk om een kind over te plaatsen naar een plek waar het veilig en gezond kan opgroeien. In andere situaties kunnen pleegzorgbegeleiders de veiligheid in het pleeggezin mogelijk met extra ondersteuning vergroten. Daarbij moet er wel voldoende perspectief zijn dat pleegouders baat hebben bij extra ondersteuning. Dat wil zeggen dat zij bereid en in staat moeten zijn om te veranderen. Te denken valt aan interventies om de opvoedvaardigheden van pleegouders te vergroten en de interactie met het bij hen geplaatste kind te verbeteren. Ook bij ernstige of langdurige structurele onveiligheid in het pleeggezin is het noodzakelijk om een kind over te plaatsen naar een veilige plek. 

Beslissingen bij vrijwillige plaatsingen

Bij plaatsingen in vrijwillig kader nemen pleegzorgbegeleiders na het constateren van een onveilige situatie beslissingen over overplaatsing in samenspraak met de betrokkenen (kind, ouders, pleegouders, jeugdbeschermer en andere hulpverleners; stap 5 van de Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling). Zij wegen met elkaar af wat het beste is voor het kind. Om te beoordelen wat in het belang van het kind is, weegt de zienswijze van het kind passend mee. 

Nazorg en verwerking van kindermishandeling

In beide situaties is hulpverlening voor kinderen, ouders en pleegouders nodig. Daarbij is het belangrijkste doel voor kinderen dat zij de ervaringen van kindermishandeling verwerken en de gevolgen ervan kunnen hanteren (Ten Berge et al., 2012). Ook voor ouders van kinderen in pleegzorg is vaak ondersteuning nodig om deze ervaringen te verwerken.

7. Samenwerking

Over samenwerking

Voor de ontwikkeling van kinderen in een pleeggezin en de stabiliteit van de plaatsing is het cruciaal dat er een adequate en zo gelijkwaardig mogelijke samenwerkingsrelatie is tussen kind, ouders, pleegouders, het sociaal netwerk van het gezin en pleeggezin, de verwijzer of jeugdbeschermer en andere professionals. Er is nauwelijks onderzoek gedaan hoe deze samenwerkingsrelatie te bereiken valt. Wel naar gedeeld opvoederschap tussen ouders en pleegouders, contact tussen ouder en kind, hulp en begeleiding aan ouders, en de samenwerking tussen professionals. Het uitgangspunt is om zo gelijkwaardig mogelijk tot besluitvorming te komen, ook in het jeugdbeschermingskader. Hierbij nemen professionals de stemmen van het kind, de ouders en pleegouders serieus en krijgt de multidisciplinaire samenwerking vanuit het belang van het kind. Deze bouwsteen beschrijft hoe je als pleegzorgbegeleider een goede samenwerking tussen al deze betrokkenen kunt bevorderen.

De aanbevelingen uit deze bouwsteen zijn relevant voor jeugdprofessionals die in de volle breedte betrokken zijn bij de pleegzorg.

Vraag en aanbevelingen

7.1. Samenwerking bij pleegzorgplaatsing

Hoe bevorderen de pleegzorgbegeleider en de plaatser een goede samenwerking tussen alle betrokkenen bij de pleegzorgplaatsing?

Aanbevelingen

7.1.1. Zorgteam

  • Vorm een zorgteam met alle belangrijke betrokkenen: kind, ouders, pleegouders, pleegzorgbegeleider(s) en eventuele andere belangrijke betrokkenen, zowel uit het sociale netwerk rond het gezin als professionals. 

  • Help ouders, kind en pleegouders in het zorgteam om duidelijke afspraken te maken over de doelen van de plaatsing en over de rollen, taken en grenzen van alle betrokkenen. 

7.1.2. Stem van het kind

  • Geef kinderen een stem in de plaatsing en in het zorgteam: vraag hen wat zij willen en wat belangrijk voor hen is. 

7.1.3. Gedeeld opvoederschap

  • Ouders zijn en blijven de ouders van hun kind. Respecteer hun positie en zet je in voor gedeeld opvoederschap. Beslis niet over ouders, maar met ouders. 

  • Investeer in het leren kennen van de ouder en het opbouwen van een samenwerkingsrelatie. Veroordeel de ouder niet, maar wees nieuwsgierig naar diens verhaal. Heb aandacht voor wat goed gaat en ging in het leven van de ouder en in de opvoeding.

  • Geef ouders een duidelijke stem en heldere kaders. Faciliteer relatie-opbouw tussen ouders en pleegouders. 

  • Werk er met de ouders naartoe dat zij de plaatsing kunnen verdragen en hun kind toestemming kunnen geven om in het pleeggezin te wonen. Streef er ook naar dat ouders en pleegouders met elkaar gaan samenwerken.

7.1.4. Samenwerkingsrelatie

  • Ondersteun ouders en pleegouders bij het vormgeven van hun samenwerkingsrelatie. 

7.1.5. Hulp en begeleiding aan ouders en pleegouders

  • Ga met ouders in gesprek over de redenen voor de pleegzorgplaatsing en help hen bij het opstellen en realiseren van doelen om binnen een voor het kind aanvaardbare termijn toe te kunnen werken naar een terugplaatsing (zie Beslissen over perspectief). 

  • Bied ouders in de hulpverleningsvariant tijdig hulp of zoek naar aanvullende intensieve hulp, gericht op het versterken van hun opvoedvaardigheden en van hun ouderrol. En bespreek regelmatig de voortgang in het veranderingsproces.

  • Ondersteun ouders na een perspectiefbesluit bij het rouwproces en nieuwe invulling van hun ouderrol (roldifferentiatie) of schakel een andere hulpverlener in om dit te doen. Zorg ook dat ouders voldoende ondersteuning krijgen bij eigen problemen. Zodat het goed met hen gaat en ze ruimte hebben om zich op hun kind te richten.

  • Zorg bij aanvullende hulp (voor ouders, kind of pleegouders) voor goede inhoudelijke afstemming en samenwerking tussen de verschillende professionals die betrokken zijn bij ouders en kind, pleegouders en hun netwerken.

  • Monitor of de ingezette hulp daadwerkelijk bijdraagt aan de ontwikkeling van het kind of aan het verbeteren van de balans tussen draagkracht en draaglast van (pleeg)ouders. Als de hulpverlening stagneert of niet leidt tot de gewenste resultaten, overleg dan met de betreffende hulpverlener en schaal eventueel op naar de gedragswetenschapper.

7.1.6. Goede samenwerking

  • Zorg voor een goede samenwerking tussen alle partijen (pleegzorgbegeleider, jeugdbeschermer en/of het lokale team). 

7.1.7. Contact met ouders

  • Maak in iedere casus een afgewogen beslissing over de frequentie en vorm van het contact tussen kind en ouders en leg deze uit.

7.1.8. Goede verstandhouding

  • Ondersteun pleegouders bij het omgaan met gedrag van het kind als dat na bezoek aan de ouders terugkeert in het pleeggezin. 

7.1.9. Netwerk als beschermende factor

  • Faciliteer het contact met broers en/of zussen, wanneer zij niet samen geplaatst zijn.

  • Heb aandacht voor het behouden van het bestaande netwerk en zoek de verbinding met het nieuwe netwerk, om zo tot een gemeenschappelijke wereld te komen voor het kind.

7.1.1. Zorgteam

Toelichting op de aanbevelingen

  • Vorm een zorgteam met alle belangrijke betrokkenen: kind, ouders, pleegouders, pleegzorgbegeleider(s) en eventuele andere belangrijke betrokkenen, zowel uit het sociale netwerk rond het gezin als professionals. 

  • Help ouders, kind en pleegouders in het zorgteam om duidelijke afspraken te maken over de doelen van de plaatsing en over de rollen, taken en grenzen van alle betrokkenen. 

Het kind (minimaal vanaf 12 jaar), de ouders, de pleegouders, de casemanager of jeugdbeschermer, de pleegzorgbegeleider en eventueel andere belangrijke betrokkenen vormen met elkaar het ‘zorgteam’. Het kind kan ook vanaf 8 jaar of jonger aanwezig zijn, of een gedeelte van de bijeenkomst bijwonen (Bruning et al., 2020). Het is belangrijk dat een kind niet alleen aanwezig is, maar dat de betrokkenen diens stem ook serieus nemen. 

Eerste bijeenkomst: doelen, afspraken en samenwerking

Bij aanvang van de plaatsing komt het zorgteam bij elkaar. Het doel daarvan is om elkaar te leren kennen, het doel en de duur van de plaatsing te bepalen, en een gezamenlijk hulpverleningsplan op te stellen met doelen en afspraken.

Dit plan bevat doelen en afspraken rondom de verzorging en opvoeding van het kind. Pleegouders hebben hiervoor de juiste informatie nodig; zij moeten goed weten wat het kind nodig heeft om zich veilig en gezond te kunnen ontwikkelen. 

Zowel de pleegzorgbegeleider als de casemanager of jeugdbeschermer kan het zorgteam voorzitten, maar alle teamleden zijn samen verantwoordelijk voor de gemaakte afspraken en het gemaakte plan. Het zorgteam komt in ieder geval samen bij de evaluatie of op verzoek van één van de betrokkenen. 

Zorg voor een gedeelde planning waar álle betrokkenen achter staan. Een gedeelde planning betekent ook dat er afspraken worden gemaakt over alledaagse, praktische zaken. Denk aan contact met school, afspraken met arts of kapper, het kopen van kleding, verjaardagen en feestdagen zoals vader- en moederdag. Vraag hierbij altijd naar de wensen van het kind. Een kind kan bijvoorbeeld specifieke voorkeuren hebben voor haarverzorging (zoals bij kroeshaar), of bepaalde gebruiken belangrijk vinden vanuit de culturele achtergrond van het gezin van herkomst.

Het is belangrijk dat het kind diens mening kan geven, goed voorbereid is op de bijeenkomst en terugkoppeling krijgt. In een bespreking met het hele zorgteam kan het voor ouders lastig zijn om hun gedachten en ideeën naar voren te brengen. Dit kun je als professionals ondervangen door vooraf met hen te bespreken wat voor hen belangrijk is en wat zij willen inbrengen in de bespreking. Ook kan het helpen om met hen te zoeken naar een persoon die hen ondersteunt om het woord te voeren in het zorgteam of die in plaats van hen het woord voert.

Werk aan de relatie tussen ouders en pleegouders

Om de kans op succes van de plaatsing te vergroten is het van belang om vanaf het begin te werken aan een goede relatie tussen ouders en pleegouders. Dit voorkomt dat het kind in situaties terechtkomt waarin het zich verscheurd voelt tussen twee gezinnen. Ook maakt dit het makkelijker om als ouders en pleegouders onderling te overleggen over zaken die met het kind te maken hebben. 

De volgende activiteiten kunnen de samenwerking bevorderen (De Baat & De Lange, 2013):

  • Maak heldere haalbare afspraken in het zorgteam, over doelen, rollen, taakverdeling, verwachtingen en grenzen van de betrokkenen.
  • Bespreek regelmatig de taakverdeling.
  • Bevorder wederzijds begrip door elkaar te leren kennen. Dit kan door luisteren en doorvragen zonder een oordeel te geven, gericht op het begrijpen van de ander.
  • Breng de onderlinge verhoudingen tussen alle betrokkenen in kaart, bijvoorbeeld met behulp van gezinskaarten.
  • Verzorg psycho-educatie aan pleegouders, over de problematiek van ouders.
  • Heb aandacht voor een ieders wensen (meerzijdige partijdigheid), met een focus op de gedeelde wens dat het kind goed opgroeit.
  • Bespreek wat goed gaat en ondersteun de (pleeg)ouders bij het oplossen van onderlinge problemen. Maak ook spanningen tussen ouders en pleegouders bespreekbaar. Zet hiervoor zo nodig technieken in, zoals het stellen van circulaire vragen, het bespreken van onderlinge rivaliteit, het gemeenschappelijke naar de voorgrond halen en verschillen positioneren.
  • Betrek zo nodig een collega met systeemtherapeutische kennis bij de gesprekken.

7.1.2. Stem van het kind

Toelichting op de aanbeveling

  • Geef kinderen een stem in de plaatsing en in het zorgteam: vraag hen wat zij willen en wat belangrijk voor hen is. 

Het is cruciaal om het kind een stem te geven in het zorgteam. Alle kinderen hebben het recht om gehoord te worden en moeten serieus genomen worden. Jongeren vanaf 12 jaar hebben bovendien het recht om mee te beslissen over zaken die hen aangaan. Maar ook bij kinderen jonger dan 12 is het belangrijk om te luisteren naar hun mening, gevoelens en ideeën. Ga als pleegzorgbegeleider of andere betrokken professional ontspannen in gesprek met kinderen over wat zij willen en wat belangrijk voor hen is. In een bespreking met het hele zorgteam kan het lastig zijn voor kinderen om hun gedachten en ideeën naar voren te brengen. Dit kun je als professional ondervangen door vooraf met hen te bespreken wat voor hen belangrijk is en wat zij willen inbrengen in de bespreking. Ook kan het helpen om met hen te zoeken naar een persoon die hen kan ondersteunen om het woord te voeren in het zorg team of die in plaats van hen het woord voert.

Vijf stappen om het kind een stem te geven

Net als bij het perspectiefbesluit is het belangrijk om deze vijf stappen te volgen om de mening van het kind te horen en serieus te nemen: 

  1. Zorg voor een goede voorbereiding zodat het kind goed geïnformeerd een mening kan vormen. Geef het kind de juiste informatie zodat het een weloverwogen mening kan vormen. Houd hierbij rekening met capaciteiten en ontwikkeling. Kinderen moeten worden geïnformeerd over het recht om hun mening te geven in zaken die hen raken en over de impact die hun mening kan hebben op de uitkomsten. Het is belangrijk dat het kind weet wat de mogelijke gevolgen van participatie zijn en welke mogelijkheden het kind heeft om diens mening te delen (zelf of via een vertegenwoordiger). Onderdeel van de voorbereiding is ook dat het kind weet wanneer, hoe, waar en met wie de communicatie plaatsvindt.
  2. Stel het kind in staat diens mening vrijelijk te uiten. De omgeving waar het gesprek plaatsvindt is belangrijk, maar ook de houding en vaardigheden van de volwassene.
  3. Maak een inschatting van de vaardigheden van het kind en geef passend gewicht aan de mening van het kind. Kijk per kind of het kind in staat is om een eigen mening te vormen. De mening van het kind moet serieus genomen worden en een belangrijke rol spelen in de besluitvorming.
  4. Koppel terug wat met de mening van het kind is gedaan. Onderdeel van het participatieproces is dat je het kind informeert over de beslissing en over de rol die de mening van het kind in de besluitvorming heeft gespeeld. Deze terugkoppeling is noodzakelijk om het kind te laten weten dat je het kind serieus neemt. Feedback maakt dat het kind weet hoe diens mening is meegenomen in de te maken afweging. En het stelt het kind in staat om actie te ondernemen wanneer dit naar diens mening niet op de juiste wijze is gebeurd (bijvoorbeeld door het doen van een alternatief voorstel of wellicht door het indienen van een klacht of instellen van een juridische procedure).
  5. Stel het kind in staat om in verweer te komen tegen een beslissing. Er moeten klacht-, bezwaar- en beroepsprocedures zijn voor kinderen die vinden dat ze onvoldoende gelegenheid hebben gekregen om hun mening te geven of die vinden dat hun mening onvoldoende is meegewogen.

7.1.3. Gedeeld opvoederschap

Toelichting op de aanbevelingen

  • Ouders zijn en blijven de ouders van hun kind. Respecteer hun positie en zet je in voor gedeeld opvoederschap. Beslis niet over ouders, maar met ouders. 

  • Investeer in het leren kennen van de ouder en het opbouwen van een samenwerkingsrelatie. Veroordeel de ouder niet, maar wees nieuwsgierig naar diens verhaal. Heb aandacht voor wat goed gaat en ging in het leven van de ouder en in de opvoeding.

  • Geef ouders een duidelijke stem en heldere kaders. Faciliteer relatie-opbouw tussen ouders en pleegouders. 

  • Werk er met de ouders naartoe dat zij de plaatsing kunnen verdragen en hun kind toestemming kunnen geven om in het pleeggezin te wonen. Streef er ook naar dat ouders en pleegouders met elkaar gaan samenwerken.

Ook al is hun rol in het dagelijks leven veranderd door de plaatsing in een pleeggezin, ouders blijven wel van belang in het leven van hun kind. Ze moeten daarom de ruimte krijgen om aan te geven wat zij wezenlijk vinden in de opvoeding en het dagelijks leven van hun kind. Goed contact tussen pleegkinderen en hun ouders heeft een goede invloed op hun mentale gezondheid (McWey et al., 2022). Als pleegzorgbegeleider moet je – bij gedwongen kader in samenwerking met de gecertificeerde instelling – onderzoeken welke rol ouders kunnen blijven spelen in het leven van hun kind. Hoe ouders invulling kunnen geven aan gedeeld opvoederschap met de pleegouders.

Idealiter krijgen ouders begeleiding bij het omgaan met verlies en rouw. De praktijk leert dat professionals soms denken dat de pleegouders er voor het kind zijn, en jeugdbeschermers (gecertificeerde instelling) voor de ouders. Maar dat is onjuist. Beide partijen moeten zich inzetten om ouders een blijvende plek te geven in het leven van hun kind. Ga hier met elkaar over in gesprek en maak hier goede afspraken over die aansluiten bij ieders verwachtingen en mogelijkheden. Kinderen hebben immers recht op omgang en contact met personen met wie zij een nauwe persoonlijke band hebben – onder wie ook de (pleeg)ouders. Uitzonderingen gelden alleen als dit niet in het belang van het kind is (artikel 8 EVRM, artikel 9 IVRK). 

Twee sporen: terugkeer of blijvend verblijf

In de begeleiding is vaak een tweesporenbeleid nodig. Het ene spoor gaat uit van de situatie dat een kind op termijn weer bij zijn de ouders kan wonen. Het andere spoor houdt rekening met de mogelijkheid dat een kind in het pleeggezin opgroeit. Als terugkeer mogelijk en wenselijk is, moet begeleiding gericht zijn op het vergroten van opvoedvaardigheden en het voorbereiden van de terugplaatsing. Als het perspectief is dat het kind langdurig in het pleeggezin blijft, ligt de nadruk op het aanvaarden van de uithuisplaatsing en op het vinden van een andere, passende invulling van het ouderschap. 

Gedurende de plaatsing onderzoek je als pleegzorgbegeleider – samen met ouders, pleegouders, het kind en andere betrokken professionals – steeds wat de beste plek voor het kind is om op te groeien. Artikel 25 IVRK regelt dit recht van kinderen op een periodieke evaluatie van de uithuisplaatsing. 

Samen met ouders beslissingen nemen 

Het uitgangspunt is om beslissingen over het kind zoveel mogelijk samen met ouders te nemen. Daarbij maakt het niet uit of het perspectief is dat een kind weer thuis gaat wonen of dat het langdurig in een pleeggezin verblijft. In beide gevallen is het noodzakelijk om gezamenlijk te onderzoeken welke rol ouders kunnen spelen in het leven van hun kind. Maak hierbij onderscheid tussen de wens van ouders en de werkelijkheid. Sommige ouders willen heel graag hun kind weer thuis hebben, maar dit is niet altijd haalbaar. Het is belangrijk om ouders erkenning te geven voor hun wens en tegelijkertijd samen te onderzoeken en te bespreken wat wél haalbaar is. 

Actieve betrokkenheid van ouders bij beslissingen over hun kind kan positieve effecten hebben: een betere relatie tussen ouder en kind, meer veranderingsbereidheid bij ouders, een sterkere identiteitsontwikkeling van het kind, en een grotere kans op succesvolle hereniging.

Tegelijk tonen sommige onderzoeken ook negatieve effecten van de betrokkenheid van ouders in de besluitvorming: een grotere kans op een breakdown (vroegtijdig en ongepland beëindigen van de plaatsing) en meer gedrags- en emotionele problemen bij de kinderen (Robberechts et al., 2013). Uit het perspectief van de rechten van ouders vraagt het van pleegzorgbegeleiders om ouders actief te betrekken en tegelijk mogelijke negatieve effecten te voorkomen.

Voorwaarden voor constructief meewerkende ouders

Ouders zijn eerder bereid om constructief mee te werken aan een pleegzorgplaatsing als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan (Hermanns, 2007): 

  1. Het is duidelijk dat hun kind het goed heeft in het pleeggezin.
  2. Ze worden regelmatig geïnformeerd over hoe het met hun kind gaat.
  3. Ze kunnen een rol spelen op betekenisvolle momenten, zoals verjaardagen, ziekte of schoolactiviteiten.
  4. Ze krijgen ondersteuning in de relatie met de pleegouders.
  5. Ze krijgen hulp bij het opnieuw vormgeven van hun ouderschap in de nieuwe situatie.

Daarnaast is het cruciaal dat ouders zich gehoord en gerespecteerd voelen. Aandacht voor het rouwproces dat ouders doormaken als hun kind in een pleeggezin opgroeit, is daarin essentieel. Ook andere familieleden rondom de ouders kunnen hierbij een rol spelen – positief of negatief – en verdienen daarom ook aandacht in de begeleiding. 

Onderstaand overzicht zet verschillende factoren op een rij die invloed hebben op de participatie van ouders bij de pleeggezinplaatsing.

Factoren met invloed op de participatie van ouders bij de pleeggezinplaatsing
Positieve invloed                                                                                     Negatieve invloed
Bij oudersBij ouders
  • Aanwezigheid van een moeder.
  • Een partner hebben.
  • Steun en begrip ontvangen vanuit het sociale netwerk.
  • Inzicht hebben in de reden en het perspectief van de pleegzorgplaatsing.
  • Het gevoel hebben dat alles eraan gedaan is om uithuisplaatsing te voorkomen.
  • Ervaren  dat het goed gaat met hun kind
  • Hulp krijgen voor hun eigen problemen.
  • Aanwezigheid van psychische of verslavingsproblemen of (licht) verstandelijke beperking.
  • Combinatie van problemen in het gezin, zoals financiële problemen, scheidingen, juridische problemen, drugsgebruik, psychische problemen, huiselijk geweld, armoede en werkloosheid.
  • Eerdere negatieve ervaringen hebben opgedaan met pleegzorg.
  • Gevoelens hebben van rouw, angst en schaamte.
  • Invloed van familieleden die tegen de plaatsing zijn
Bij kindBij kind
  • Plaatsing om andere redenen dan gedragsproblemen.
  • Aanwezigheid van gedragsproblemen, al dan niet gerelateerd aan hechtingsproblemen, trauma of onderliggende psychische problemen.
Samenwerking met pleegouders 
  • Ouders hebben het vertrouwen dat hun kind het goed heeft bij de pleegouders.
  • Pleegouders informeren de ouders hoe het gaat met hun kind.
  • Pleegouders geven de ouders de mogelijkheid om een rol te spelen bij de opvoeding en belangrijke gebeurtenissen van hun kind.
  • Ouders weten wat de rol van pleegouders is en wat hun eigen rol is.
  • Pleegouders respecteren de ouders van het kind en staan positief tegenover de rol die ouders hebben in het leven van hun kind.
  • Pleegouders hebben eerdere negatieve ervaringen opgedaan in de samenwerking met ouders.

7.1.4. Samenwerkingsrelatie

Toelichting op de aanbeveling

  • Ondersteun ouders en pleegouders bij het vormgeven van hun samenwerkingsrelatie. 

Breng de onderlinge verhoudingen in kaart, bijvoorbeeld met triades (zie bijvoorbeeld Choy & Schulze, 2009). Bespreek regelmatig de taakverdeling. Bespreek wat goed gaat en ondersteun ouders en pleegouders bij het oplossen van onderlinge problemen. Maak spanningen tussen ouders en pleegouders bespreekbaar. Zet hiervoor zo nodig technieken in, zoals het stellen van circulaire vragen, het bespreken van onderlinge rivaliteit, het gemeenschappelijke naar de voorgrond halen en verschillen positioneren. Gebruik eventueel de ‘gouden regels voor samenwerking’ en bijbehorende films (Bakema, 2020). Betrek zo nodig een collega met systeemtherapeutische kennis bij de gesprekken.

7.1.5. Hulp en begeleiding aan ouders en pleegouders

Toelichting op de aanbevelingen

  • Ga met ouders in gesprek over de redenen voor de pleegzorgplaatsing en help hen bij het opstellen en realiseren van doelen om binnen een voor het kind aanvaardbare termijn toe te kunnen werken naar een terugplaatsing (zie Beslissen over perspectief). 

  • Bied ouders in de hulpverleningsvariant tijdig hulp of zoek naar aanvullende intensieve hulp, gericht op het versterken van hun opvoedvaardigheden en van hun ouderrol. En bespreek regelmatig de voortgang in het veranderingsproces.

  • Ondersteun ouders na een perspectiefbesluit bij het rouwproces en nieuwe invulling van hun ouderrol (roldifferentiatie) of schakel een andere hulpverlener in om dit te doen. Zorg ook dat ouders voldoende ondersteuning krijgen bij eigen problemen. Zodat het goed met hen gaat en ze ruimte hebben om zich op hun kind te richten.

  • Zorg bij aanvullende hulp (voor ouders, kind of pleegouders) voor goede inhoudelijke afstemming en samenwerking tussen de verschillende professionals die betrokken zijn bij ouders en kind, pleegouders en hun netwerken.

  • Monitor of de ingezette hulp daadwerkelijk bijdraagt aan de ontwikkeling van het kind of aan het verbeteren van de balans tussen draagkracht en draaglast van (pleeg)ouders. Als de hulpverlening stagneert of niet leidt tot de gewenste resultaten, overleg dan met de betreffende hulpverlener en schaal eventueel op naar de gedragswetenschapper.

Het perspectief van de plaatsing (terugplaatsing op termijn of een langdurige plaatsing) bepaalt het doel van de hulp en de begeleiding aan ouders. Pleegzorgbegeleiders stemmen hun aanpak hierop af. 

De hulpverleningsvariant: werken aan terugkeer naar huis

In de hulpverleningsvariant is nog niet besloten wie de dagelijkse opvoeding en verzorging van het kind in de toekomst gaat uitvoeren (perspectiefbesluit). De betrokkenen proberen om de oorspronkelijke gezinssituatie te verbeteren, zodat het kind weer terug naar huis kan na de uithuisplaatsing (Steensma, 2004).

De doelen van de hulpverleningsvariant zijn tweeledig: onderzoeken of terugkeer naar huis mogelijk is, en ouders begeleiden zodat zij de opvoeding weer op zich kunnen nemen. Dit vraagt om zorgvuldig onderzoek naar de krachten en problemen van de ouders. Hieruit kan blijken dat er aanvullende hulp nodig is om een terugplaatsing mogelijk te maken.

Intensieve hulp aan ouders, gericht op opvoedingsondersteuning en eventuele persoonlijke problemen, zorgt voor een grotere kans op terugplaatsing van hun kind naar huis. Het is van belang om intensief met ouders samen te werken om terugplaatsing naar huis mogelijk te maken (Child Welfare Information Gateway, 2011). Doe dit samen met het lokale team, de behandelaars van ouders, de (oude) school van het kind en het netwerk.

De opvoedingsvariant: opgroeien in een pleeggezin

De opvoedingsvariant van pleegzorg volgt op de conclusie dat een kind langere tijd niet meer thuis kan wonen en het besluit wie de dagelijkse opvoeding en verzorging van het kind in de toekomst gaat uitvoeren (perspectiefbesluit). Het kind heeft dan een plaats nodig waar het langere tijd kan wonen. Doel van een plaatsing is om een veilige, stabiele plek te bieden waar het kind zich duurzaam kan ontwikkelen. 

Contact met de ouders blijft bestaan, tenzij dit onveilig is. De ouder heeft begeleiding nodig om het verdriet van de uithuisplaatsing te kunnen verwerken, om de plaatsing te kunnen verdragen, en om een nieuwe invulling te kunnen geven aan de ouderrol. Ook kan er begeleiding nodig zijn bij de samenwerking met pleegouders. 

Acceptatie en samenwerking

Voor een stabiele plaatsing en een positief ontwikkelingsperspectief voor het kind is het belangrijk dat ouders toestemming geven aan het kind om in het pleeggezin op te groeien. Die instemming is cruciaal: een kind heeft gevoelsmatig de toestemming van diens ouders nodig om zich daadwerkelijk aan pleegouders te ‘mogen’ hechten (Haans et al., 2009).

Ouderbegeleiding gericht op roldifferentiatie kan hierbij helpen. Dit is een begeleidingsvorm die ouders ondersteunt in het accepteren van de plaatsing en in het vormgeven van een passende, blijvende ouderrol. Bij ouders met een (licht) verstandelijke beperking is specialistische begeleiding nodig.

Een goede relatie tussen ouders en pleegouders draagt bij aan de stabiliteit van de plaatsing én het welzijn van het kind. Als pleegzorgbegeleider kun je hierbij gebruikmaken van de 5 gouden regels voor samenwerking. Die helpen om belangrijke thema's rond samenwerking stapsgewijs te bespreken.

7.1.6. Goede samenwerking

Toelichting op de aanbeveling

  • Zorg voor een goede samenwerking tussen alle partijen (pleegzorgbegeleider, jeugdbeschermer en/of het lokale team). 

Om de stabiliteit voor het kind te bevorderen, is goed samenwerken van wezenlijk belang: tussen ouders, kind, pleegouders, belangrijke personen uit het netwerk en de professionals om hen heen (zoals een behandelaar of docent). Deze samenwerking krijgt vorm binnen een zorgteam. 

Dit zijn factoren die bijdragen aan goede samenwerking: 

  • Een gedeelde visie.
  • Een gezamenlijk plan van aanpak.
  • Verantwoordelijkheid nemen en anderen zo nodig ook op hun verantwoordelijkheid aanspreken.
  • Open communicatie.
  • Elkaar kennen en zien wat de ander goed doet.

Rollen en taken

Het is belangrijk dat de pleegzorgaanbieder, het lokale team en de gecertificeerde instelling (regionale) samenwerkingsafspraken maken en vastleggen. In de landelijke handreiking Pleegzorg: een gezamenlijke zorg (Jeugdzorg Nederland, 2016) vind je alle concrete activiteiten waarover de betrokken organisaties samenwerkingsafspraken moeten maken. Daarnaast maak je in ieder individueel traject concrete afspraken wie waarvoor verantwoordelijk is en wat doet. 

De pleegzorgbegeleider, de professional uit het lokale team (in vrijwillig kader) en de jeugdbeschermer (in gedwongen kader) hebben ieder altijd de professionele verantwoordelijkheid om te signaleren of de kinderen, ouders en pleegouders de juiste ondersteuning en begeleiding krijgen. En elkaar hierover zo nodig te bevragen en aan te spreken. 

Samenwerking in de uitvoering

Uitgangspunten voor goede samenwerking tussen professionals in de pleegzorg zijn (Choy & Schulze, 2010):

  • Er is wederzijds respect voor de visie, uitgangspunten, doelen, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van professionals.
  • Professionals beoordelen de samenwerking vanuit de vraag of kind, ouders en pleegouders erdoor geholpen zijn.
  • Professionals gedragen zich in de samenwerking betrouwbaar, integer en betrokken.
  • Professionals streven in de samenwerking naar open communicatie. Dat wil zeggen dat ze elkaar aanspreken in positieve en negatieve zin.
  • Professionals gaan ervan uit dat samenwerking vooral mensenwerk is en investeren in goede persoonlijke verhoudingen.
  • Professionals hebben begrip voor (onverwachte) omstandigheden die invloed hebben op de gemaakte afspraken en denken mee in oplossingen bij mogelijke knelpunten.
  • Professionals evalueren de samenwerking periodiek in het licht van de beoogde resultaten.

De herzieningswerkgroep (2024) geeft verschillende tips die kunnen bijdragen aan een goede samenwerking. Allereerst is het belangrijk om als team samen te werken aan één plan. Dit begint met een startgesprek met het zorgteam om een gezamenlijke visie te delen en het plan vast te stellen. Het is belangrijk om dit plan uit te voeren zoals afgesproken, ook als er een wisseling van professionals is. Als de afspraken in het plan niet helder zijn, is het belangrijk om niet af te wachten, maar juist contact met elkaar op te nemen. Alle betrokkenen moeten hun eigen verantwoordelijkheid kennen en nemen. Open communicatie is ook een voorwaarde voor samenwerking: transparant zijn, naar elkaar luisteren, beslissingen met elkaar overleggen en iedereen informeren (bijvoorbeeld in mailcontact). Wat ook kan bijdragen aan een goede samenwerking is elkaar kennen (dagje meelopen, gezamenlijke themasessies) en positiviteit (aandacht voor wat de ander goed doet, complimenten geven, voor ogen houden dat je allemaal voor hetzelfde doel werkt en niet roddelen of klagen).

Als er een klik is tussen de pleegzorgbegeleider en de plaatser (lokaal team of jeugdbeschermer), staan zij model voor de samenwerking en het oplossen van conflicten tussen ouders en pleegouders. Voorkom daarom strijd tussen de pleegzorgaanbieder en de plaatser. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, want in de praktijk zorgt de samenwerking tussen jeugdbeschermer en pleegzorgbegeleider vaak voor problemen. Er kan een parallel proces ontstaan: de problemen tussen ouders en pleegouders doen zich op vergelijkbare wijze voor tussen jeugdbeschermer en pleegzorgbegeleider.

Het juridische kader voor het werk heeft veel invloed op de samenwerking tussen alle betrokkenen. Nieuwe beschikkingen van een kinderrechter doorkruisen soms de samenwerkingsmodus, waardoor deze weer herstel nodig heeft. In dat geval is het belangrijk om direct opnieuw met het zorgteam om de tafel te gaan zitten. 

7.1.7. Contact met ouders

Toelichting op de aanbeveling

  • Maak in iedere casus een afgewogen beslissing over de frequentie en vorm van het contact tussen kind en ouders en leg deze uit.

Aandacht voor contact met ouders

Zorg voor continuïteit en regelmaat in de frequentie en duur van de bezoeken. Evalueer de bezoekregeling regelmatig – of als daar een bijzondere aanleiding toe is – met het zorgteam. Zet daarbij de ontwikkeling van het kind steeds centraal. Een hulpmiddel om de frequentie en vorm van het contact te bepalen, is de tool Samen groeien in contact.

Een kind heeft recht op omgang en contact met de eigen ouders, tenzij dit niet in diens belang is (artikel 9 IVRK). Dit laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn bij ernstige mishandeling of seksueel misbruik dat ontkend wordt. Soms moet contact of verbinding met ouders een andere vorm krijgen of is extra hulpverlening nodig. Maar het moet altijd veilig verlopen. Wanneer er geen contact is of alleen onder begeleiding, is hiervoor goede onderbouwing nodig. Bij problemen in het contact is extra ondersteuning voor alle betrokkenen wenselijk om hen te helpen met elkaar in gesprek en aan de slag te gaan. 

Ouderondersteuning op maat kan de contactmomenten tussen ouders en kinderen verbeteren. Het plannen en bespreken van het bezoek en coaching voor, tijdens en na het contactmoment kan hierbij helpen (Bullen et al. 2017). 

Ouder-kindcontact: essentieel én gevoelig

Contact tussen kinderen en hun ouders is van groot belang, ook wanneer de relatie moeizaam is. Kinderen zijn vaak loyaal aan hun ouders en blijven verbonden met hen, ondanks wat er gebeurd is. 

Neem beslissingen over bezoek zorgvuldig en op individuele basis en bewaak afspraken. Continuïteit en regelmaat in de frequentie en duur van de bezoeken zijn namelijk een beschermende factor voor de ontwikkeling van kinderen en houdt de hechtingsrelatie met ouders in stand (Juffer, 2023, zie 1.2). 

Bezoekmomenten kunnen intens zijn voor kinderen en  leiden tot ontregeling. Als pleegzorgbegeleider kun je ouders ondersteunen in hoe ze hiermee omgaan. Het helpt om pleegouders goed voor te bereiden op wat het bezoek bij hun pleegkind kan oproepen: gevoelens van verdriet, boosheid, gemis of verwarring, en ook vragen over en aan de ouders. Pleegouders kunnen kinderen ondersteunen door open te zijn, emoties te erkennen en het kind gerust te stellen dat het niet zelf schuldig is aan de uithuisplaatsing. Als pleegzorgwerker kun je op jouw beurt erkenning geven aan pleegouders: bezoekmomenten kunnen impact hebben op het pleeggezin. 

Bij het bepalen van een bezoekregeling is het belangrijk om de wensen van het kind actief mee te nemen. Vraag hier expliciet naar, laat het kind merken dat diens mening ertoe doet en leg duidelijk uit hoe keuzes tot stand zijn gekomen. 

Zorg ook voor een laagdrempelige en veilige setting voor het contact. Liever geen kantoorsituatie, maar een plek waar kind en ouders zich prettig voelen: bijvoorbeeld thuis, in de tuin, een park of speeltuin of rond een zwemles. Pleegouders kunnen hierin ondersteuning nodig hebben om de afspraken praktisch mogelijk te maken.

Onduidelijk is of de frequentie van het contact samenhangt met de ontwikkeling van kinderen en de relatie tussen kinderen en hun pleegouders. Wel weten we dat een slecht contact of een gebrek aan contact met de eigen ouders de ontwikkeling van kinderen kan belemmeren of zelfs kan leiden tot angst, trauma en vervreemding van de ouder. Ook kan dit een goede relatie met pleegouders in de weg staan. 

De rol van het perspectief

De context waarin het contact tussen kinderen en hun ouders plaatsvindt is van belang. Het perspectief van de plaatsing (zicht op terugkeer naar huis of langdurig verblijf in het pleeggezin) speelt daarbij een rol. 

  • Is het perspectief gericht op terugkeer naar huis? Dan richt het contact zich op herstel van de ouder-kindrelatie en het versterken van opvoedvaardigheden.
  • Is langdurig verblijf in het pleeggezin het uitgangspunt? Dan ligt de nadruk op het onderhouden van het contact en het ondersteunen van het emotionele proces.
  • Is het perspectief op terugkeer nog onduidelijk? Zet dan in op begeleiding: onderzoek de mogelijkheden voor terugkeer én investeer in herstel van de ouder-kindrelatie en versterking van de opvoedvaardigheden.

Loyaliteit en verdragen van de plaatsing

Daarnaast speelt een rol of ouders de pleegzorgplaatsing kunnen verdragen. Wanneer dat lastig is, kan het kind in een loyaliteitsconflict komen. Kinderen zijn vaak loyaal aan hun ouders, maar ontwikkelen ook loyaliteit richting de pleegouders. Loyaliteitsconflicten kunnen negatieve gevolgen voor het emotionele welzijn van kinderen hebben en leiden tot (grotere) gedragsproblemen. Daarom is het nodig dat je als pleegzorgbegeleider ouders ondersteunt om de pleegzorgplaatsing te verdragen, en waar nodig extra hulp voor ouders inschakelt.

Inmiddels hebben diverse grote pleegzorgorganisaties initiatieven om ouders te ondersteunen. Denk aan een module gericht op gedeeld opvoederschap en rouw en verlies, inzetten van ervaringsdeskundige ouders (buddy’s), of het faciliteren van oudergespreksgroepen. Deze initiatieven zijn relatief nieuw, waardoor nog niet duidelijk is welke het meest behulpzaam zijn. Ook de financiering ervan verschilt per organisatie en gemeente. 

Beschermende factoren bij ouder-kindcontacten voor de ontwikkeling van het kind zijn (Bastiaensen & Kramer, 2012):

  • Begeleiding gericht op verbetering van de kwaliteit van het contact;
  • Hulp voor het kind, de ouders en de pleegouders bij het verwerken en hanteren van de bezoeken;
  • Wederzijdse acceptatie tussen ouders en pleegouders;
  • Overeenstemming over het bezoek tussen alle betrokkenen;
  • Een zo natuurlijk mogelijke integratie van het ouder-kindcontact in het dagelijks leven van het kind, met soepele overgangsmomenten. In de ideale situatie betekent dit dat de frequentie en duur van de bezoeken naar behoefte van het kind zijn ingevuld, dat het contact plaatsvindt in het pleeggezin of in het gezin van oorsprong, en dat er geen begeleiding van de bezoeken nodig is.

7.1.8. Goede verstandhouding

Toelichting op de aanbeveling

  • Ondersteun pleegouders bij het omgaan met gedrag van het kind als dat na bezoek aan de ouders terugkeert in het pleeggezin. 

Luister goed naar de pleegouders en vraag hoe het voor hen is. Geef psycho-educatie: oudercontact is belangrijk voor kinderen en probleemgedrag erna is ‘normaal’. Geef hun tips om met het gedrag van het kind om te gaan: hoe ze kunnen bekrachtigen wat wel goed gaat en waar nodig grenzen en structuur bieden. Pas de bezoekregeling niet direct aan als pleegouders het moeilijk vinden, maar houd wel oog voor het welzijn van het kind.

Voor het kind is het wenselijk dat er een goede verstandhouding is tussen ouders en pleegouders (Schofield et al., 2000; Bastiaensen, 2001). Als ouders en pleegouders elkaar wederzijds accepteren, heeft dat een gunstige invloed op de aanpassing en ontwikkeling van het kind (Ainsworth, 2018; Konijn et al., 2019 ) en op het aantal contacten tussen de ouders en hun kind in de voorbereiding op hereniging (Leathers, 2002). Tegelijkertijd weten we dat de samenwerking in de praktijk lang niet altijd probleemloos verloopt. Pleegouders hebben behoefte aan ondersteuning bij de omgang met de ouders (Vanderfaeillie et al., 2012). Pleegouders verwachten dat pleegzorgbegeleiders een bemiddelende en faciliterende rol spelen bij de omgang met ouders.

Wanneer pleegouders het contact van het kind met diens ouders niet ondersteunen, is het nodig dat pleegzorgbegeleiders hen helpen accepteren dat de eigen ouders belangrijk blijven voor kinderen (Cooley et al., 2019). Ook wanneer de ouder-kindrelatie beschadigd is door eerdere gebeurtenissen en pleegouders de beperkingen van ouders in het contact met een kind zien en ervaren, blijft contact tussen ouders en kinderen belangrijk. Anders plaatsen zij het kind in een loyaliteitsconflict, en dat kan negatieve gevolgen hebben voor het emotioneel welbevinden van kinderen. Loyaliteitsconflicten kunnen ook maken dat een kind na een bezoek aan de eigen ouders meer problematisch gedrag laat zien. Dat kan tijdelijk voor meer stress in het pleeggezin zorgen. Door de overgang van het contact met ouders naar het pleeggezin kunnen kinderen gevoelens van verlies en rouw en de loyaliteit aan hun ouders ervaren. Dat kan maken dat zij tijdelijk meer problematisch gedrag laten zien (Boyle, 2017). Dit vraagt goede begeleiding van pleegouders bij terugkeer van een kind na een bezoek aan de eigen ouders.

De herzieningswerkgroep (2024) geeft verschillende tips hoe pleegzorgbegeleiders pleegouders kunnen begeleiden wanneer kinderen problemen laten zien na terugkeer: 

  1. Luister goed en vraag hoe het voor hen is.
  2. Geef psycho-educatie dat ouder-kindcontact belangrijk is en dat probleemgedrag van kinderen na contact met de ouders ‘normaal’ is vanwege de gespleten loyaliteit die zij ervaren.
  3. Geef tips om met het gedrag om te gaan (bekrachtigen wat wel goed gaat, bieden van grenzen en structuur). 

Het is belangrijk om de bezoekregeling niet direct aan te passen als pleegouders het gedrag van kinderen na afloop moeilijk te hanteren vinden. Wel is het belangrijk oog te houden voor het welzijn van kinderen. In plaats van aanpassing van de bezoekregeling, is het nodig pleegouders goed voor te lichten dat ontregeling na een bezoek erbij kan horen. Daarnaast vraagt het soms extra training en begeleiding van pleegouders om goed met deze ontregeling om te gaan.

Pleegzorgbegeleiders ervaren verschillen in de samenwerking met netwerkpleeggezinnen en bestandspleeggezinnen. Samenwerking in netwerkpleegzorg, specifiek binnen families, kan ingewikkelder zijn dan in bestandspleegzorg. Dat komt door de bestaande (soms verstoorde) relaties, de invloed van eerdere gebeurtenissen, de veranderende verhoudingen die de plaatsing met zich meebrengt in het netwerk, en het beroep dat ouders doen op pleegouders. De herzieningswerkgroep geeft aan dat het in pleegzorgbegeleiding van netwerkgezinnen belangrijk is om te focussen op de krachten van het netwerk. Ook is het belangrijk om aandacht te hebben voor de relaties tussen ouders en de familieleden waar een kind geplaatst is of gaat worden. In gesprek met deze familieleden is aandacht nodig voor de veranderende verhouding met de ouders van het kind als een kind van een familielid bij hen gaat wonen. Familieleden kunnen ondersteuning nodig hebben om goed met deze veranderende verhouding en relatie om te gaan. 

7.1.9. Netwerk als beschermende factor

Toelichting op de aanbevelingen

  • Faciliteer het contact met broers en/of zussen, wanneer zij niet samen geplaatst zijn.

  • Heb aandacht voor het behouden van het bestaande netwerk en zoek de verbinding met het nieuwe netwerk, om zo tot een gemeenschappelijke wereld te komen voor het kind.

Contact broers en zussen

Als broers en zussen niet samen in een pleeggezin wonen, dan is het belangrijk dat zij elkaar met regelmaat zien, zodat zij niet van elkaar vervreemden. Tenzij de omgang niet in het belang van (één van) de kinderen is,(Bahlman, 2020). Het blijft dan echter wel een uitdaging om te zoeken naar een passende wijze van contact, nu of in de toekomst. Het recht op omgang is zowel in internationale als nationale wetgeving vastgelegd. 

Netwerk als beschermende factor

Sociale binding met een netwerk is van belang voor een positieve ontwikkeling van kinderen en is een belangrijke beschermende factor (Ince, Van Yperen & Valkestijn, 2018). Juist voor kinderen in de pleegzorg kan het waarborgen van de binding met het netwerk extra belangrijk zijn. 

Uit de praktijk komt het beeld naar voren dat een krachtig systeem met belangrijke personen een belangrijke rol speelt in het voorkomen van breakdowns (Lieben, Roelofs, & Graas, 2017). Dit belang van sociale binding met een netwerk is vertaald in een recht. Dit is het recht van het kind om na uithuisplaatsing omgang en contact te hebben met personen met wie die een nauwe persoonlijke betrekking heeft, waaronder de (pleeg)ouders en broers en zussen (artikel 8 EVRM, artikel 9 IVRK) – tenzij dit niet in het belang van het kind is. 

Bestaand en nieuw netwerk verbinden

Bij een plaatsing in een pleeggezin komen er voor het kind nieuwe mensen bij. Tegelijk blijft het bestaande netwerk belangrijk. Het kind kan in zo’n situatie het gevoel krijgen te moeten kiezen tussen verschillende werelden. Daarom is het belangrijk in de ondersteuning aandacht te hebben voor de verbondenheid met het bestaande netwerk en het nieuw op te bouwen netwerk. Het doel is tot een gemeenschappelijke wereld te komen waarin het kind zich veilig en erkend voelt.

Praktische aanbevelingen uit de praktijk

In het project Samen de (Sch)ouders er onder (Lieben et al., 2017) is onderzocht hoe sociale netwerkstrategieën effectief inzetbaar zijn binnen de pleegzorg. Het onderzoek raadt aan om de regie zo veel mogelijk neer te leggen bij het kind, de ouders en pleegouders. En om mee te denken over steunende personen in het leven van (pleeg)ouders. Enkele aanbevelingen uit het onderzoek:

  • Zoek actief naar mogelijkheden voor het kind om contact te onderhouden met broers en zussen en andere familieleden. Kinderen hebben recht op omgang met hun broers en zussen. Samenplaatsing moet het uitgangspunt zijn. Als dit niet mogelijk is, moet er direct omgang en contact plaatsvinden tussen het pleegkind en diens broers en zussen.
  • Vraag kinderen wie belangrijk voor hen zijn. Kinderen van alle leeftijden hebben recht om hun stem te laten horen.
  • Help pleegouders om het netwerk van het kind in kaart te brengen.
  • Houd contact in stand tussen kinderen en pleegouders na een breakdown of na het verlaten van pleegzorg, als het kind daar behoefte aan heeft.
  • Zoek met het kind naar een vertrouwenspersoon: een persoon uit de omgeving die belangrijk is voor het kind. De JIM-aanpak (Jouw-Ingebrachte-Mentor) kan hierbij helpen (Sekreve et al., 2020). 

Een steunend netwerk voor ouders en pleegouders

Ook ouders en pleegouders hebben vaak behoefte aan sociale steun, een luisterend oor en soms een helpende hand bij praktische zaken. Voor de duurzaamheid en continuïteit is het belangrijk dat je als pleegzorgbegeleiders of andere betrokken professionals samen met hen actief zoekt naar personen om deze rol te vervullen.

Verantwoording en bronnen

© 2025 Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk, Nederlands Instituut van Psychologen, Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen, Nederlands Jeugdinstituut.

Op voorwaarde van naamsvermelding wordt toestemming gegeven voor het kopiëren, opslaan, en openbaar maken van de tekst van deze publicatie. 

Richtlijnen ondersteunen professionals om samen met kinderen en ouders te beslissen over de best passende hulp. Een richtlijn geeft onderbouwde aanbevelingen op basis van wetenschappelijk onderzoek, praktijkkennis van professionals en ervaringskennis van kinderen en ouders. Richtlijnen worden regelmatig aangepast. 

De richtlijn is ontwikkeld door het Nederlands Jeugdinstituut en geautoriseerd door de Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW), het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) en de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO). 

Het ontwikkelen, herzien en implementeren van richtlijnen voor jeugdprofessionals vindt plaats in het kader van het Meerjarenplan Richtlijnen Jeugd, opgesteld door het Nederlands Jeugdinstituut, de Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW), het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) en de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO). Zie voor meer informatie: www.richtlijnenjeugdhulp.nl.

Gebruik bij referenties naar deze richtlijn altijd: ‘Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming’. 5e herziene druk 2025.

De eerste versie van deze richtlijn is gepubliceerd in 2013. Deze bestond destijds uit twee afzonderlijke documenten: de richtlijn zelf en een onderbouwingsdocument van de richtlijn. De herziening van de richtlijn is in 2023 gestart en is gepubliceerd in 2025. De huidige richtlijn bevat per bouwsteen en bijbehorende uitgangsvragen een korte onderbouwing van de aanbevelingen. Het oorspronkelijke onderbouwingsdocument van de eerste versie van de richtlijn is niet geactualiseerd. Daarom is dit document niet meer online gepubliceerd. Via info@richtlijnenjeugdhulp.nl is de oorspronkelijke onderbouwing van de richtlijn op te vragen.

 

Herziening 2025

De herziening is uitgevoerd door de Christelijke Hogeschool Ede (CHE), in samenwerking met het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), de herzieningswerkgroep en de klankbordgroep. 

Auteurs: 

  • Dr. Ellen Schep - orthopedagoog Leger des Heils en onderzoeker CHE
  • Dr. Danielle van de Koot-Dees - associate lector Pleeg- en gezinshuiszorg CHE
  • Dr. Cora Bartelink - onderzoeker Haagse Hogeschool

Procesbegeleiders Nederlands Jeugdinstituut:

  • Emma Verspoor
  • Manon Donker

Herzieningswerkgroep: 

Tjitske JanssenBeleidsmedewerker kenniscentrum Timon
Anneke VinkeGZ-psycholoog Adoptiepraktijk Vinke
Caroline Penninga-de LangeOrthopedagoog-generalist Klimop
Rosalie van BodegravenPleegzorgwerker gezinsvormen William Schrikker Stichting
Janette van VlietPleegzorgwerker Jeugdhulp Friesland
Martine BrouwerErvaringsdeskundige adviseur jongeren- en ouderenperspectief
Rudi TomasoaPleegouder
Linda DoumaProjectleider NvP
Geritha WaaijenbergErvaringsdeskundige en sociaal werker
Harmke BergenhenegouwenSenior adviseur Nederlands Jeugdinstutuut
Mariska de BaatVoorzitter herzieningswerkgroep, programmamanager Enver

Klankbordgroep herziening:

Tosca SebusGedragswetenschapper Sterk huis
Marieke Klein EntinkBeleidsadviseur Entrea Lindenhout
Mirjam MoonenPleegzorgwerker Scoor pleegzorg
Maureen DoumaEx- pleegkind
Anna TerstappenGedragswetenschapper Triade Vitree
Petra van SteenselGedragswetenschapper Stichting Pactum
Patty ZoetPleegouder
Stefanie PaansGedragswetenschapper de Rading
Marieke KohlmannMatcher en netwerkonderzoeker bij Pleegzorg Combinatie Jeugdzorg
Madelon de BeerGedragswetenschapper Jeugdhulp Friesland

Herziening 2019

Auteurs: 

  • Mariska de Baat
  • Peter van den Bergh
  • Marjan de Lange
  • Stefanie Abrahamse

Ontwikkelwerkgroep: 

  • Hans Grietens (voorzitter)
  • Hans Auwerda
  • Dennis Fink
  • Vanessa Vos
  • Marielle Schmitz
  • Mariska de Baat
  • Peter van den Bergh
  • Marjan de Lange
  • Anneke van As

Herzieningswerkgroep: 

  • Stefanie Abrahamse
  • Peter van den Bergh
  • Liesbeth Liesveld
  • Marjolein Vullings
  • Mia Hazebroek

Ontwikkeling 2013

Werkgroep:

Prof. dr. H.W.E. (Hans) GrietensVoorzitter; hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen, Faculteit Gedrags- en Maatschappijwetenschappen
Drs. M.I. (Marjan) de LangeProjectleider en richtlijnontwikkelaar; programmaleider kwaliteit, effectiviteit en vakmanschap bij het Nederlands Jeugdinstituut (NJi)
Dr. P.M. (Peter) van den BerghRichtlijnontwikkelaar, onderzoeker pleegzorg, Bureau van den Bergh (voormalig universitair docent Universiteit Leiden)
M.M.J. (Mariska) de Baat, MScRichtlijnontwikkelaar, adviseur bij het Nederlands Jeugdinstituut (NJi)
Drs. J.F.M. (Hans) AuwerdaGedragswetenschapper JMW Haarlemmermeer bij Spirit te Amsterdam; lid namens het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP)
Drs. V.E. (Vanessa) VosOrthopedagoog/gedragswetenschapper bij St. Jeugdformaat Haaglanden; lid namens de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO)
D. (Dennis) Fink

Jeugdbeschermer bij NIDOS; lid namens de

Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW)

M. (Marielle) SchmitzBeleidsmedewerker bij de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP)
A.J. (Anneke) van As, BAProject-assistent; medewerker bij het Nederlands Jeugdinstituut (NJi)

Klankbordgroep:

Dr. P.A.C.M. (Petra) Bastiaensen 

GZ-psycholoog/ senior behandelcoördinator / 

supervisor 

Juzt 
J. ( Joan) van den Bos 

Ambulant hulpverlener 

pleegzorg 

Spirit 
Drs. F. (Frieda) Both Secretaris G32 sociale pijler G32 
W. (Wilma) Duitscher 

Pleegouder, voorzitter 

Pleegouderraad 

LOPOR, De Rading 
F.J. (Anja) Elzinga Pleegouder  
M. (Mariska) van Esveld Afdelingshoofd pleegzorg en crisis 

Youké Sterke Jeugd (voorheen 

Zandbergen) 

Drs. C.M.A. (Ynske) de Koning 

Gedragswetenschapper 

jeugdbescherming 

Bureau Jeugdzorg 

Noord Brabant 

J.M. (Atanka) Mensink 

Hoofd zorglijn/ therapeutische 

pleegzorg 

De Bascule (TGV) 
Drs. H. (Hilda) Meijer 

GZ-psycholoog/ 

gedragsdeskundige 

Raad voor de 

Kinderbescherming 

Drs. M. (Marga) Nijhof Gedragswetenschapper 

Jeugdbescherming 

Gelderland 

Drs. D.B.J. (Daniëlle) Oomen Gedragswetenschapper De Rading 
Dr. S. (Simon) van Oijen Gedragswetenschapper Yorneo 
L.R. (Lea) Pinas-Harper 

Ambulante hulpverlener 

pleegzorg 

Stichting 

Flexusjeugdplein 

Mr. J.N. ( Juul) Polders-Reinders Senior beleidsadviseur 

Landelijke staforganisatie van de Raad voor de 

Kinderbescherming 

M.C. (Riet) Portengen Adviseur/ontwikkelaar Sonestra 
Drs. R. (Rinie) van Rijsingen 

Gedragswetenschapper/ 

beleidsadviseur 

Lindenhout 
T.J. (Tineke) Spoelstra, BA Gezinsvoogd 

Bureau Jeugdzorg 

Noord Brabant 

Drs. M.E.C. (Marian) Versteegen Gedragswetenschapper 

Jeugdbescherming 

Gelderland 

Drs. P.J. (Petra) de Vries Gedragswetenschapper De Rading 

Het Nederlands Jeugdinstituut heeft de opdracht gegeven een herziening uit te voeren van de richtlijn Pleegzorg. De vijf uitgangsvragen van de Richtlijn Pleegzorg uit 2013, die in 2018 eerder herzien is, waren daarbij leidend. Nieuwe uitgangsvragen zouden immers vragen om een grote herziening. 

In het voorjaar van 2023 zijn twee bijeenkomsten georganiseerd met alle stakeholders uit werkveld, onderzoek en belangenbehartiging, en ervaringsdeskundigheid. Uit deze bijeenkomsten kwamen per uitgangsvraag de eerste en urgentste thema’s voor herziening naar voren. Vervolgens kregen de deelnemers de gelegenheid zich op te geven voor de herzieningswerkgroep. Het NJi heeft deze werkgroep in samenspraak met de CHE samengesteld. In de samenstelling is gelet op deskundigheid en evenwichtige vertegenwoordiging van beroepsvereniging, pleegzorgwerkers, en ervaringsdeskundigheid (van pleegouder, ouder en pleegkind). Gedurende de periode september 2023 tot mei 2024 zijn vijf bijeenkomsten georganiseerd. Daarin is steeds per onderdeel de feedback geïnventariseerd, deze is verwerkt en daarna is opnieuw feedback gevraagd. Parallel hieraan liep het proces waarin de auteurs inzichten uit recente wetenschappelijke literatuur (2018-2024) hebben verwerkt, samen met inzichten uit de andere relevante en vernieuwde richtlijnen. Er is een klankbordgroep georganiseerd met professionals waarbij de vraagstukken rondom het stem van het kind en interventies centraal stonden.

In het najaar van 2024 is een commentaarfase uitgevoerd. Waarna in februari 2025 de herzieningswerkgroep de richtlijn definitief heeft vastgesteld.

Aanpassingen per thema Hoe aangepast? 
Update literatuur Het updaten van de (wetenschappelijke) literatuur op punten waar inzichten veranderd of aangevuld zijn. 
Update status interventies De status van de interventies (erkenningsniveau) zijn aangepast waar nodig. 
Wijzigingen in richtlijn ‘Uithuisplaatsing en terugplaatsing’ integreren. De richtlijn Uithuisplaatsing en terugplaatsing is in 2023 herzien op belangrijke punten, die ook voor pleegzorg gevolgen hebben. Zoals de aanvaardbare termijn en een nieuwe nadruk op ‘terugplaatsing’. Deze inzichten zijn geïntegreerd in de richtlijn Pleegzorg. Ook zijn de verwijzingen naar de andere richtlijnen geüpdatet. 
Aandacht voor relationele stabiliteit en 18+ Het schema met de ontwikkelingstaken van een pleegkind is aangepast in overleg met de auteur, Anneke Vinke. Daarbij is meer aandacht voor identiteitsvorming en 18+. Ook is er meer aandacht voor de blijvende relaties die het kind heeft, ook richting de volwassenheid. Het gaat hierbij om oud-pleegouders bij overplaatsing, maar ook om belangrijke anderen van het kind, die het leven lang belangrijk kunnen blijven voor het kind. 
Probleemgedrag In de werkgroep kwam meerdere malen naar voren dat leden het woord ‘probleemgedrag’ als een ongelukkige typering ervaren, omdat het te veel het probleem bij het kind zou leggen. Een aantal werkgroepleden spreekt liever van ‘signaalgedrag’ of ‘overlevingsgedrag’, waardoor er meer aandacht is voor de context en geschiedenis waarin het kind bepaalde gedragingen laat zien. Deze termen tonen in hun benaming immers meer begrip voor het kind en kunnen pleegouders motiveren om hun opvoedingsstrategie hierop aan te passen. In de Inleiding wordt de term nu toegelicht. De term probleemgedrag is toch behouden, omdat deze term terugkomt in internationaal onderzoek (inclusief onderscheid internaliserend en externaliserend probleemgedrag) en in de richtlijn Ernstige Gedragsproblemen. Het is mogelijk dat in de toekomst een andere term dan ‘probleemgedrag’ gebruikt wordt, met een heldere definiëring en afbakening en onderbouwing. Omwille van de begripsvaliditeit en conceptuele helderheid is de term ‘probleemgedrag’ nu gehandhaafd. 
Inzichten rondom identiteitsvorming bij transculturele, transetnische en transreligieuze plaatsingen Regelmatig hebben kinderen en pleegouders te maken met transculturele, transetnische en transreligieuze plaatsingen. Voor een pleegkind betekent dit dat het te maken kan krijgen met meervoudige identiteitsvorming. Ook zal het kind de rol van het ‘pleegkind’ ook een plek moeten geven. Zeker als een kind bij een minderheidsgroepering hoort, is het van belang dat hier aandacht voor is. De link naar de handreiking Identiteitsversterkend handelen is toegevoegd. Inzichten vanuit Kinderrechtenverdrag en onderzoek hieromtrent zijn toegevoegd. 
Samenplaatsing van broers en zussen Vanuit het kinderrechtenperspectief en internationale Richtlijnen voor Alternatieve zorg is afgelopen jaren gewezen op het recht om families bij elkaar te houden, en in het bijzonder broers en zussen. In de praktijk bleken betrokkenen erg snel te stellen dat dit niet mogelijk of wenselijk is. Het recht is nu duidelijker verankerd, waarbij er zwaarwegende redenen moeten zijn om broers en zussen te scheiden. Als dit laatste het geval is, dan is meer inspanning nodig om kinderen zo dicht mogelijk bij elkaar te houden (geografische afstand en regelmatig bezoek). Vanuit ervaringsdeskundigheid in de werkgroep is erop gewezen dat het voorkomt dat een pleegkind en diens broers en zussen elkaar soms maar eens of enkele malen per jaar zien. 
Verwijderen van dubbelingen Er is getracht zo min mogelijk andere richtlijnen te herhalen, maar onmiddellijk door te verwijzen naar de alinea of paragraaf in de betreffende richtlijn. De nieuwe online structuur moet deze samenhang ook inzichtelijker en gebruiksvriendelijker maken dan in de oude situatie (pdf’s van richtlijnen). 
De stem van kinderen In de rechtspraak is, ook op basis van het Kinderrechtenverdrag, in een aantal regio's de gewoonte ontstaan om kinderen vanaf minimaal 8 of 12 jaar te horen. In besprekingen van pleegzorg moet het een gewoonte worden dat een kind bij tenminste een deel van de bespreking aanwezig is en het woord heeft. Daarnaast moet het kind ook individueel gehoord worden, bij een vertrouwenspersoon. Meer onderzoek is nodig wat dit betekent voor pleegzorg in de Nederlandse situatie, en hoe dit goed vorm te geven. Zodat deze inzichten in de toekomst in de praktijk, maar ook in de richtlijn kunnen worden opgenomen. 
Inleiding 
  • De voetnoten die begrippen verklaren zijn in de lopende tekst opgenomen, vanwege de nieuwe structuur van de website.
  • De term ‘probleemgedrag’ is van een kanttekening voorzien, maar wel gehandhaafd.
  • De alinea over de jeugdwet is uitgebreid met de internationale ontwikkeling voor de vigerende opvatting om kinderen in een gezinsomgeving te laten opgroeien.
  • De verwijzingen naar de andere richtlijnen zijn geactualiseerd. 
Volgen en stimuleren van ontwikkeling 
  • Literatuur en uitleg toegevoegd over correctieve hechtingservaringen (Bowlby,1988; Juffer, 2023).
  • Informatie over algemene ontwikkelingspsychologie verwijderd (elders beschikbaar), maar specifieke ontwikkelingstaken van een pleegkind zijn uitgebreid (18+/identiteitsvorming) in samenspraak met auteur van eerder schema, Anneke Vinke.
  • Er is kennis toegevoegd over het ondersteunen van identiteitsvorming.
  • Verwijzing naar ‘Handreiking Identiteitsversterkend Handelen’ (Degener, 2023).
  • De kennis over netwerkpleegzorg is aangevuld met nieuwe wetenschappelijke literatuur, zodat zowel de kracht als valkuil van netwerkpleegzorg nu worden genoemd. 
Beslissen over perspectief 
  • Het begrip ‘terugplaatsing’ is geïntegreerd, net als andere wijzigingen uit de richtlijn Uithuisplaatsing en Terugplaatsing. Zoekterm: terug naar huis/terug naar huis trajecten(Bruning 2022 is verwerkt in de richtlijn uithuisplaatsing en terugplaatsing).
  • Er wordt nu direct verwezen naar de richtlijn Uithuisplaatsing en Terugplaatsing, zodat hier geen tegenstrijdigheden ontstaan. Daarmee zijn alle beweringen die niet meer in lijn waren met de nieuwe richtlijn Uithuisplaatsing en Terugplaatsing verwijderd.
  • Nazorg voor pleegouders en specifieke pleegzorgaspecten zijn wel in het hoofdstuk behouden of aangevuld.
  • Daarnaast is benadrukt hoe belangrijk het is om de verbinding tussen pleegouders en een vertrekkend kind zoveel mogelijk te behouden.
  • De BIG5 toegevoegd.
  • Aangepast is dat de verwijzer of jeugdbeschermer de lead heeft in het nemen van het perspectiefbesluit. 
  • De rol van de pleegzorgbegeleider is aangepast. Deze neemt geen beslissingen, maar de pleegzorgorganisatie kan wel gevraagd worden om een perspectiefonderzoek te doen. Wel is het belangrijk dat deze persoon hiervoor opgeleid is en onafhankelijk is. Een pleegzorgbegeleider kan wel advies geven. In plaats van pleegzorgbegeleider hebben we er perspectiefonderzoeker van gemaakt.   
Stabiliteit en breakdown 
  • De wetenschappelijke literatuur over breakdown is geactualiseerd, ook de risicofactoren. Er is weggehaald dat kindfactoren meer kans op breakdown geven (geen bevestiging van gevonden bij Konijn et al.).
  • Inzichten uit de Factsheet Uithuisplaatsingen (Bruning et al., 2022) zijn opgenomen in de tekst.
  • Onderstaande literatuur is meegenomen in het schrijven van de tekst. De definitie van matching is aangepast, en in lijn gebracht met Zeijlmans et al. (2017). Ook is het inzicht verwerkt dat kinderen en ouders vaak niet meegenomen worden in de besluitvorming (Zeijlmans et al, 2019).
  • Toegevoegd is dat samenplaatsen van broertjes en zusjes van belang is bij de matching, op grond van het Kinderrechtenverdrag, tenzij dit niet in het belang van het kind is. Dit recht is sterker benadrukt, omdat in de praktijk snel een beroep lijkt te worden gedaan op de uitzonderingsclausule.
  • Bij matching wordt meer nadruk gelegd op overeenkomst in cultuur, etniciteit, religie en taal. Hierin wordt verwezen naar recente, Nederlandse onderzoeken en de Handreiking Identiteitsversterkend Handelen.
  • Toegevoegd is dat wanneer het niet lukt om siblings samen te plaatsen, of het pleeggezin op taal, cultuur, etniciteit of religie niet matcht met het gezin van herkomst, pleegzorgwerkers concrete afspraken moeten maken om het kind verbonden te houden met familie en de wortels, en deze afspraken ook te evalueren.
  • Ook hier is verwezen naar de richtlijn Uithuisplaatsing en Terugplaatsing.
  • Het begrip ‘relational permanence’ (relationele stabiliteit) is geïntroduceerd. Daarbij is gedurende de plaatsing oog voor belangrijke anderen van een pleegkind, ook met het oog op deze verbondenheid voor de rest van het leven van een pleegkind. Dit geldt voor familieleden, andere sleutelfiguren, maar eventueel ook eerdere pleegouders.
  • Er is meer aandacht voor het perspectief van ‘eigen kinderen’ van pleegouders. Wanneer het met hen niet goed gaat, komt de plaatsing mogelijk ook in gevaar.
  • Er is tekst ingevoegd met het oog op nazorg voor pleegouders na een breakdown. 
Veiligheid in pleeggezinnen 
  • De structuur van het hoofdstuk is gewijzigd om een scherpere redeneerlijn neer te kunnen zetten. Tegelijkertijd is de strekking van de inhoud maar zeer beperkt gewijzigd ten opzichte van de vorige versie van de richtlijn.  
  • Risicofactoren zijn opgenomen om de focus op de uitgangsvraag scherp te houden.
  • In de richtlijn werd ‘plaatsing in een netwerkpleeggezin’ als risicofactor voor mishandeling genoemd. Deze risicofactor is geschrapt. Hier ontbreekt de evidentie, waardoor de risicofactor te weinig onderbouwd is. De eerder aangehaalde literatuur is niet meer beschikbaar of beweert zelfs het tegengestelde. Onderzoeken laten verschillende uitkomsten zien, die elkaar tegenspreken of alternatieve verklaringen bieden (zie Biehal, 2014; Bell & Romano, 2017; Jedwab et al., 2020; Winokur et al, 2015) of zijn gedateerd (University of Kansas, 2004). Zekerheid over genetische verwantschap zou een rol kunnen spelen in het risico op mishandeling, waardoor plaatsingen aan vaders kant meer vervolgonderzoeken kennen (Helton et al, 2017).
  • Screening en selectie vormen een aparte paragraaf (Is dit een geschikt pleeggezin?) los van de voorbereiding van een plaatsing (voorbereiding verwelkomen specifiek kind).
  • Preventie, signalering en handelen gedurende de plaatsing zijn gesplitst in 1) preventie en 2) signaleren en handelen. Hiermee wordt beoogd nog duidelijker aan te geven hoe tijdens de plaatsing veiligheid gemonitord moet worden en hoe er gehandeld dient te worden.
  • Verwijzing naar Commissie De Winter toegevoegd.
  • Criteria kwaliteitskader screening en voorbereiding van Jeugdzorg Nederland is geüpdatet. Dit is verwerkt in deze richtlijn.
  • Wetenschappelijke literatuur over training en voorbereiding pleegouders is geüpdatet.
  • Er is ook aandacht voor het welzijn van pleegouders, omdat dit van invloed kan zijn op eventuele onveilige opvoedsituaties. De herzieningswerkgroep heeft herhaaldelijk gewezen op het belang van het welzijn van pleegouders (ook met oog op het welzijn van eigen kinderen, voorkomen dat pleegouders stoppen).
  • De tekst over kindermishandeling is gewijzigd van structuur, zodat helder naar voren komt wat van pleegzorgbegeleiders verwacht wordt bij signalen of vermoedens van kindermishandeling. De Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling is uiteengezet. Van pleegzorgbegeleiders mag verwacht worden dat zij – samen met andere betrokkenen – kunnen besluiten dan wel adviseren of een kind in een pleeggezin kan blijven of dat een overplaatsing nodig is.
  • De aanbevelingen zijn in hooflijnen gelijk gebleven, met een aanvulling over het welzijn van pleegouders. 
Samenwerking 
  • De inzichten over samenwerking met alle betrokkenen zijn aangescherpt. Daarbij is de structuur van het hoofdstuk enigszins gewijzigd. De uitleg over de rol van het zorgteam is helemaal naar voren gehaald.
  • Ook de positie van kinderen is aangescherpt, conform wettelijke regels over inspraak. In ieder geval kinderen van 12 jaar en ouder hebben in juridische zin recht op inspraak bij belangrijke beslissingen die hen aangaan, waarbij hun mening passend meeweegt. Maar ook bij kinderen jonger dan 12 jaar is het van belang dat zij gehoord en serieus genomen worden.
  • Gedeeld opvoederschap van ouders en pleegouders in plaats van ‘ouderparticipatie’.
  • Samenwerking in zorgteam is naar voren gehaald, waarbij samenwerking met ouders een gezamenlijke verantwoordelijkheid is.
  • Positie van ouders is versterkt, nadruk op de blijvende rol van ouders in leven van kinderen. Nadruk op gezamenlijke besluitvorming.
  • Er staan ook aanwijzingen voor pleegouders.
  • Er is focus op wat bekend is over wat werkt in de samenwerking, met name gebaseerd op praktijkkennis. De door Jeugdzorg Nederland vastgelegde afspraken over de verhoudingen tussen de betrokken organisaties zijn ingekort, omdat het hier om werkafspraken gaat.  
  • Verwijzing naar JIM-aanpak (Sekreve et al., 2020).
  • Er is meer aandacht gekomen voor de mogelijkheid dat een lokaal team betrokken kan zijn als plaatsende instantie, naast de jeugdbescherming. Dat brengt meer balans in de aandacht voor het vrijwillige en gedwongen kader waarin pleegzorgplaatsingen uitgevoerd kunnen worden.   
  •  Er is een aanbeveling toegevoegd over de positie van kinderen, omdat steeds duidelijker wordt hoe belangrijk het voor kinderen is om een stem te krijgen in zaken die hen aangaan.   

De richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming is ontwikkeld door de Werkgroep Richtlijn Pleegzorg (2013). Deze werkgroep heeft met vertegenwoordigers uit onderzoek, praktijk en cliënten vijf uitgangsvragen geselecteerd waar deze richtlijn een antwoord op geeft: 

  1. Hoe kan de ontwikkeling van kinderen die in pleegzorg verblijven, optimaal worden gevolgd en gestimuleerd?
  2. Wat is nodig om een goed en tijdig besluit over het perspectief van kinderen in pleegzorg te kunnen nemen?
  3. Hoe kan de stabiliteit van een plaatsing worden vergroot en een breakdown worden voorkomen?
  4. Wat moet er in de voorbereiding en tijdens de plaatsing worden gedaan om de veiligheid van kinderen in pleegzorg te kunnen beschermen?
  5. Hoe bevorderen de pleegzorgbegeleider en de plaatser een goede samenwerking tussen alle betrokkenen bij de pleegzorgplaatsing?

De beantwoording van deze uitgangsvragen is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, praktijkkennis en de voorkeuren van cliënten. Voor het literatuuronderzoek vormen de kenniscollecties van de afdeling Orthopedagogiek van de Universiteit Leiden en van het Nederlands Jeugdinstituut de basis. De Universiteit Leiden beschikt over een kenniscollectie van meer dan duizend nationale en internationale pleegzorggerelateerde artikelen vanaf 2000 tot 2010. Voor de huidige richtlijnen zijn de abstracts van alle artikelen van deze database doorgenomen om zo tot een selectie van de verschillende onderzoeksvragen te komen. Bij de ontwikkeling van de richtlijn is daarnaast gebruikgemaakt van de kenniscollectie van het Nederlands Jeugdinstituut, in het bijzonder van de kennis uit het dossier ‘Pleegzorg’ en de volgende stukken:

  • Wat werkt in de pleegzorg? (De Baat & Bartelink, 2012)
  • Uithuisplaatsing, wat werkt? (Bartelink, 2011)
  • Wat werkt bij jeugdigen met een licht verstandelijke beperking? (Zoon, 2012)

In aanvulling op de literatuur uit deze kenniscollecties is aanvullende literatuur geraadpleegd die de werkgroep heeft aangedragen. Het gaat daarbij niet alleen om onderzoeksliteratuur, maar ook om handboeken, werkwijzen of checklists die in de praktijk van de jeugdhulpen jeugdbescherming gebruikt worden. Er is veelvuldig gebruik gemaakt van de sneeuwbalmethode, waarbij door het raadplegen van de referentielijst van al gevonden literatuur andere publicaties gevonden kunnen worden (Baarda et al., 2005).

De werkgroep heeft in vier bijeenkomsten en vier mailrondes feedback gegeven op de literatuurselectie en de ontwikkeling van de teksten, conclusies en aanbevelingen. De tekst van de richtlijn is in vier commentaarrondes (twee bijeenkomsten en twee mailrondes) voorgelegd aan een klankbordgroep met betrokkenen bij de pleegzorg. Het gaat daarbij om vertegenwoordigers van pleegouders, en om medewerkers van pleegzorgaanbieders, gecertificeerde instellingen en de Raad voor de Kinderbescherming.

De klankbordgroep had als taak om aanvullende kennis aan te dragen vanuit de praktijk (in aanvulling op literatuur of in plaats van literatuur, daar waar evidence ontbreekt) en waar mogelijk en nodig differentiatie aan te brengen in de uitvoering van de richtlijn naar leeftijd, sekse en etniciteit, en in de toepassing van de richtlijn voor kinderen met een licht verstandelijke beperking die in een pleeggezin verblijven. Daarnaast is aan de leden van de klankbordgroep gevraagd de aanbevelingen te ‘vertalen’ zodat deze praktisch hanteerbaar zijn. 

Aanvullende praktijkkennis is verzameld door gebruik te maken van kennis uit de Kenniskring Pleegzorg (De Baat & De Lange, 2013) en door praktijkervaringen uit te vragen bij de leden van de werkgroep en de klankbordgroep. Cliëntvoorkeuren zijn uitgevraagd bij de cliëntentafel.

Abrahamse, S., Gardeniers, M., & Werner, C. (2019). Waarom stoppen pleegouders? Onderzoek naar omstandigheden, begeleiding en hoe pleegouders behouden kunnen worden. (Why do foster parents quit? Research on circumstances, mentoring and how foster parents can be retained). Nederlands Jeugdinstituut/ Nederlandse Vereniging voor Pleegouders en Jeugdzorg Nederland. 

Adams, E., Hassett, A.R., & Lumsden, V. (2018). What do we know about the impact of stress on foster carers and contributing factors. Adoption & Fostering, 42(4), 338-353. DOI: 10.1177/0308575918799956 

American Academy of Pediatrics (AAP, 1994). Committee on Early Childhood, Adoption and Dependent Care: Health care of children in foster care. Pediatrics, 93, 335–338. 

Baarda, D. G., Goede, M. P. M. de, & Teunissen, J. (2005). Basisboek kwalitatief onderzoek: handleiding voor het opzetten en uitvoeren van kwalitatief onderzoek (tweede herziene druk). Stenfert Kroese. 

Baat, M. de, & Bartelink, C. (2012). Wat werkt in de pleegzorg? Nederlands Jeugdinstituut. 

Baat, M. de, Bergh, P. van den, & Lange, M. de (2015). Onderbouwing bij de Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming. Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk, Nederlands Instituut van Psychologen, Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen. 

Baat, M. de, & Lange, M. de (2013). Modulebeschrijving pleegzorgbegeleiding. Kenniskring Pleegzorg en het Nederlands Jeugdinstituut. 

Baat, M. de, Lange, M. de, Vianen, R. van, & Bergh, P. van der (2012). Offerte: ontwikkeling van de richtlijn pleegzorg. Nederlands Jeugdinstituut/Universiteit Leiden. 

Bahlmann, M. (2020). Samenplaatsing van broers en zussen bij uithuisplaatsing: een gunst of kinderrecht? Defence for Children.

Ball, B., Sevillano, L., Monica Faulkner, M., & Belseth, T. (2021). Agency, genuine support, and emotional connection: Experiences that promote relational permanency in foster care, Children and Youth Services Review, 121, 105852, https://doi.org/10.1016/j.childyouth.2020.105852

Bartelink, B. E., van Bergen, D., Vanderfaeillie, J., Vermeer, P., & Saharso, S. (2023). Weaving webs of well-being: The ethics of navigating religious differences in Christian foster families with foster children of various backgrounds. Social Compass, 70(4), 600-618. https://doi.org/10.1177/00377686231219469 

Bartelink, C. (2011). Uithuisplaatsing, wat werkt? Nederlands Jeugdinstituut. 

Bastiaensen, P. A. C. M. (2001). Belaste pleegouders en verscheurde gezinnen. Onderzoek naar de wijze waarop pleegouders de opvoedingssituatie beleven en pleegkinderen de relatie met het pleeggezin en het gezin van oorsprong beleven. Academisch Proefschrift. Katholieke Universiteit Nijmegen. 

Bastiaensen, P., & Koning. Y. de (2012). CHOP: Checklist Oudercontacten in de Pleegzorg. Juzt/ Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant. 

Bastiaensen, P., & Kramer, M. (2012). De Kleine Gids Pleegzorg. Juridisch en Pedagogisch (ver)antwoord. Kluwer. 

Bath, H. (2008). The three pillars of trauma-informed care. Reclaiming Children and Youth, 17(3), 17-21. 

Benesh, A.S., & Cui, M. (2017). Foster parent training programmes for foster youth: a content review. Child & Family Social Work, 22, 548-559. DOI: 10.1111/cfs.12265 

Berge, I. ten, Addink, A., Baat, M. de, Bartelink, C., Rossum, J. van, & Vinke, A. (2012). Stoppen en helpen: een adequaat antwoord op kindermishandeling. Nederlands Jeugdinstituut. 

Bergen, van, D.D., Saharso, S., Degener, C.J., Bartelink, B., & Vanderfaeillie, J. (2022). Moral dilemmas in foster care due to religious differences between birth parents, foster parents, and foster children. Child and Adolescent Social Work Journal 40: 811–822. 

Bergenhenegouwen, H. & Jong, de, M. (2024).  Mijn Thuis. Een handreiking over de visie van zo thuis mogelijk opgroeien. Nederlands Jeugdinstituut. 

Bergh, P. M. van den, & Weterings, A. M. (2007). Pleegzorg, jeugdzorg voor het kind: Pedagogische besluitvorming bij uithuisplaatsing. Agiel. 

Bergh, P. van den, & Weterings, A. M. (2010a). Dossieronderzoek Pleeggezinplaatsingen 2009 bij Bureau Jeugdzorg Rotterdam en Bureau Jeugdzorg Overijssel. Universiteit Leiden. 

Bergh, P. van den, & Weterings, T. (red.) (2010b). Pleegzorg in perspectief. Ontwikkelingen in theorie en praktijk. Van Gorcum. 

Berrick, J. D., Cohen, E., & Anthony, E. (2011). Partnering with Parents: Promising Approaches to Improve Reunification Outcomes for Children in Foster Care. Journal of Family Strength, 11, issue 1, article 14. 

Biehal, N. (2006). Reuniting looked after children with their families. Joseph Rowntree Foundation. 

Biehal, N. (2014). Maltreatment in Foster Care: A review of the evidence. Child Abuse Review, 23(1), 48–60. https://doi.org/10.1002/car.2249

Breg, A., M. de Baat, M. de Lange, G. Albrecht & W. Daamen (2017). Pleegzorg begeleiden is een vak! De landelijke methodiekhandleiding voor professionals werkzaam binnen de pleegzorg. PI Research en Nederlands Jeugdinstituut. 

Bullen, T., Taplin, S., McArthur, M., Humphreys, C., & Kertesz, M. (2017). Interventions to improve supervised contact visits between children in out of home care and their parents: a systematic review. Child & Family Social Work, 22(2), 822-833. 

Butler, L., & McGinnis, E. (2021). ‘Without the support of my family, I couldn’t do the job’: Foster carers’ perspectives on informal supports in the role. Adoption & Fostering, 45(3), 265-282. DOI: 10.1177/03085759211041342 

Bruning, M., Smeets, C., Bolscher, A., Peper, J. & De Boer, R. (2020). Kind in proces: van communicatie naar effectieve participatie. Het hoorrecht en de procespositie van minderjarigen in familie- en jeugdzaken. WODC, Ministerie van Justitie en Veiligheid. Downloaden via: www.wodc.nl/wodc-nieuws-2020/hoorrecht-kinderen.aspx

Bruning, M., Van der Asdonk, S., Smeets, D., Van Boven, J., Buisman, R., Lenglet, M. & Alink, L. (2025). Terugplaatsing na gedwongen uithuisplaatsing, Den Haag: WODC 2025. Downloaden via: Terugplaatsing na gedwongen uithuisplaatsing

Bruning, M., Van der Zon, K., Alink, L., & Van der Asdonk, S. (2022). Wetenschappelijke Factsheet Uithuisplaatsingen. Parlement en wetenschap. 

Chateauneuf, D., Turcotte, D., & Drapeau, S. (2018). The relationship between foster care families and birth families in a child welfare context: The determining factors. Child & Family Social Work, 23, 71-79. https://doi.org/10.1111/cfs.12385 

Chamberlain, P., Moreland, S., & Reid, K. (1992) Enhanced service and stipends for foster parents: effects on retention rates and outcomes for children. Child Welfare, 71, 387-401. 

Child Welfare Information Gateway (2011). Family Reunification: What the Evidence Shows. Child Welfare Information Gateway. 

Choy, J., & Schulze, E. (2009). Kiezen voor kinderen: een nieuwe blik op het samenspel in pleegzorg. Nisto/Spirit. 

Choy, J., & Schulze, E. (2010). Het beoordelen van het toekomstperspectief van pleegkinderen. In P. van den Bergh & T. Weterings (red.), Pleegzorg in perspectief. Ontwikkelingen in theorie en praktijk (pp. 305-318). Van Gorcum. 

Coleman, K. L., & Wu, Q. (2016). Kinship care and service utilization: A review of predisposing, enabling, and need factors. Children and Youth Services Review, 61, 201-210. 

Commissie De Winter (2019). Onvoldoende beschermd: Geweld in de Nederlandse jeugdzorg van 1945 tot heden. Gedownload op 25 februari 2024 van https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/jeugdhulp/documenten/rapporten/2019/06/12/onvoldoende-beschermd-geweld-in-de-nederlandse-jeugdzorg-van-1945-tot-heden  

Commissie Samson (2012). Omringd door zorg toch niet veilig. Seksueel misbruik van door de overheid uit huis geplaatste kinderen 1945 tot heden. Boom. 

Cooley, M.E., Newquist, J., Thompson, H.M., & Colvin, M.L. (2019). A systematic review of foster parent preservice training. Children & Youth Services Review, 107, 104552. DOI: 10.1016/j.childyouth.2019.104552 

Coppens, L., & Kregten, C. van (2012). Zorgen voor getraumatiseerde kinderen: een training voor opvoeders. Bohn Stafleu van Loghum. 

Cushing, G., Samuels, G. M., & Kerman, B. (2014). Profiles of relational permanence at 22: Variability in parental supports and outcomes among young adults with foster care histories, Children and Youth Services Review, 39, pp. 73-83. https://doi.org/10.1016/j.childyouth.2014.01.001 

Dalgaard, N.T., Filges, T., Viinholt, B.C.A., & Pontopiddan, M. (2022). Parenting interventions to support parent/child attachment and psychosocial adjustment in foster and adoptive parents and children: A systematic review. Campbell Systematic Reviews. 2022;18:e1209. DOI: 10.1002/cl2.1209 

Damen, H., Elsen, M. van den, & Pijnenburg, H. (2010). Begeleiding van pleeggezinnen vanuit de jeugdhulpverlening: het Integraal Gelders Pleegzorgmodel. In P. van den Bergh & T. Weterings (red.), Pleegzorg in perspectief. Ontwikkelingen in theorie en praktijk (pp. 305-318). Van Gorcum. 

Dankaart, K. (2011). Besluitvorming en het beëindigen van pleeggezinplaatsingen. Dossieronderzoek Bureaus Jeugdzorg. Leiden: Afdeling orthopedagogiek (masterthesis). 

Day, A., Willis, T., Vanderwill, L., Resko, S., Patterson, D., Henneman, K., & Cohick, S. (2018). Key factors and characteristics of successful resource parents who care for older youth: A systematic review of research. Children and Youth Services Review, 84, 152-158. https://doi.org/10.1016/j.childyouth.2017.11.026 

Defence for Children-NL (2014). Commentaar op conceptrichtlijn en onderbouwing Richtlijn Pleegzorg. Leiden: DCI. 

Degener, C. (2021). Ethnicity reflections in foster families: the complexity of transculturally placed foster youth’s ethnic identity and the way they are ethnically socialized by their primary carers.Rijksuniversiteit Groningen (dissertatie). 

Degener, C. (2023). Identiteitsversterkend handelen in de pleegzorg. Een handreiking voor pleegzorgprofessionals. Hogeschool Rotterdam. 

Dorsey, S., Farmer, E., Barth, R., Greene, K., Reid, J., & Landsverk, J. (2008). Current status and evidence base of training for foster and treatment foster parents. Children and Youth Services Review, 30, 1403-1416. 

Dowdy-Hazlett, T., & Clark, S.L. (2024). Latent profile analysis of risk and protective factors among foster carers: A cross-sectional study. Children & Youth Services Review, 156, 107347. DOI: 10.1016/j.childyouth.2023.107347 

Dubois-Comtois, K., Bussières, E., Cyr, C., St-Onge, J., Baudry, C., Milot, T., & Labbé, A. (2021). Are children and adolescents in foster care at greater risk of mental health problems than their counterparts? A meta-analysis. Children and Youth Services Review, 127. https://doi.org/10.1016/j.childyouth.2021.106100 

Enano, S., Freisthler, B., Perez-Johnson, D., & Lovato-Hermann, K. (2017). Evaluating Parentsin Partnership: A Preliminary Study of a Child Welfare Intervention Designed to Increase Reunification. Journal of Social Service Research, 43, 236-245. 

Engelhart, E., & Win, H. de (2011). Ontwikkelmeter Jeugd. Pleegzorg Advies Nederland. 

Fisher, T., Sinclair, I., Gibbs, I., & Wilson, K. (2000). Sharing the care: the qualities sought of social workers by foster carers. Child and Family Social Work, 5, 225-234. 

Gemert, van, M. (2019). Praktijkboek praten met kinderen over kindermishandeling. Bohn Stafleu van Loghum. Houten. 

Gigengack, M.R., Hein, I.M., Lindeboom, R., & Lindauer, R.J.L. (2019). Increasing resource parents’ sensitivity towards child posttraumatic stress symptoms: A descriptive study on a trauma-informed resource parent training. Journal of Child & Adolescent Trauma, 12, 23-29. DOI: 10.1007/s40653-017-0162-z 

Goemans, A., Geel, M. van & Vedder, P. (2015). Over three decades of longitudinal research on the development of foster children: A meta-analysis. Child abuse & Neglect, 42, 121-134 

Gowan, M., Peel, N., Elcombe, E., & Blythe, S. (2023). An exploration of the self-care practices of foster carers in Australia. Adoption & Fostering, 47(2), 192-210. DOI: 10.1177/03085759231178034 

Grinsven, van, F. & Holdorp, J. (2015). Trauma-georiënteerde hulp voor kinderen met complex trauma in gezinsvervangende woonsituaties. Kennisdocument voor professionals in pleegzorg, gezinshuizen en residentiële woonvormen. Kinder- en Jeugd Traumacentrum en Nederlands Jeugdinstituut. 

Gypen, L., West, D., Van Holen, F. , & Vanderfaeillie, J. (2020). Birth children of foster carers: How do they experience the foster care placement, Children and Youth Services Review, 109, 104703, https://doi.org/10.1016/j.childyouth.2019.104703 

Haans, G., Robbroeckx, L., Hoogeduin, J., & Beem-Kloppers, A. (2009). Methodiekboek ouderbegeleiding bij roldifferentiatie: ouders helpen bij het invullen van de ouderrol na plaatsing van hun kind in een pleeggezin. Uitgeverij SWP. 

Harding, L., Murray, K., Shakespeare-Finch, J., & Frey, R. (2020). The wellbeing of foster and 

kin carers: A comparative study. Children and Youth Services Review, 108https://doi.org/10.1016/j.childyouth.2019.104566 

Hedin, L. (2015). Good relations between foster parents and birth parents: a Swedish study of practices promoting successful cooperation in everyday life. Child Care in Practice, 21(2), 177-191. https://doi.org/10.1080/13575279.2015.1005574 

Hermanns, J. (2007). Verschoven gezag, methodisch werken in de voogdij. Coact Consult/Collegio. 

Hodge, D. R. (2022). Children in foster care and spirituality and religion: Practice guidelines and policy recommendations to optimize service provision. Children and Youth Services Review, 143, 106694. https://doi.org/10.1016/j.childyouth.2022.106694 

Holen, F. van, Vanderfaeillie, J., & Eerdekens, H. (2010). Wat vinden pleegouders ervan? Ondersteuningsbehoeften van pleegouders in ‘Gezinsondersteunende Pleegzorg’. Tijdschrift voor Orthopedagogiek, Kinderpsychiatrie en Klinische Kinderpsychologie, 35, 92-101. 

Holen, van, F., Geys, L., West, D., Gypen, L., & Vanderfaeillie, J. (2019). Characteristics of successful foster families according to Flemish foster care workers. Children and Youth Services Review, 107, 104519. https://doi.org/10.1016/j.childyouth.2019.104519 

Horst, ter, W. (1999). Het herstel van het gewone leven. Bohn Stafleu van Loghum. 

Ince, D., van Yperen, T., & Valkestijn, M. (2018). Top tien beschermende factoren. Voor een positieve ontwikkeling van jeugdigen. Nederlands Jeugdinstituut. 

Jeugdzorg Nederland (2013). Kwaliteitskader voorkomen seksueel misbruik in de jeugdzorg. Jeugdzorg Nederland. 

Juffer, F. (2023). Research Memorandum. Beslissingen over kinderen in problematische opvoedingssituaties Inzichten uit gehechtheidsonderzoekhttps://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/research-memoranda-nr-5-2023.pdf, geraadpleegd op 3 juli 2024. 

Kalland, M., & Sinkkonen, J. (2001). Finnish children in foster care: Evaluating the breakdown of long-term placements. Child Welfare, 80, 513-527. 

Kiraly, M., & Humphreys, C. (2013). Family Contact for Children in Kinship Care: A Literature Review. Australian Social Work, 66(3), 358–374. https://doi.org/10.1080/0312407X.2013.812129 

Konijn, C., Admiraal, S., Baart, J., Van Rooij, F., Stam, G., Colonnesi, C., & Assink, M. (2019). Foster care placement instability: A meta-analytic review. Children and Youth Services Review, 96, 483-499. https://doi.org/10.1016/j.childyouth.2018.12.002 

Konijn, C., Colonnesi, C., Kroneman, L., Liefferink, N., Lindauer, R.J.L., & Stams, G.J.J.M. (2020). ‘Caring for children who have experienced trauma’ – an evaluation of a training for foster parents. European Journal of Psychotraumatology, 11, 1756563. DOI: 10.1080/20008198.2020.1756563 

Koot-Dees, D., van de, Noordegraaf, M., & Reitsma, B. (2023). Child of two worlds. How foster care workers perceive their role in dealing with worldview differences in foster care. Child and Family Social Work. https://doi.org/https://doi.org/10.1111/cfs.13037 

Kruis, M. (2013). Eenduidige matchingsmethodiek. Mobiel, 21 februari 2013. 

LaBrenz, C. A., Kim, J., Harris, M. S., Crutchfield, J., Choi, M., Robinson, E. D. … Ryan, S. D. (2022). Racial matching in foster care placements and subsequent placement stability: A national study. Child and Adolescent Social Work Journal. https://doi.org/10.1007/s10560-022-00831-x 

Landsverk, J. A., Burns, B. J., Stambaugh, L. F., & Reutz, J. A. R. (2009). Psychosocial interventions for children and adolescents in foster care: Review of research literature. Child Welfare: Journal of Policy, Practice, and Program, 88, 49-69. 

Leathers, S. J. (2002). Parental visiting and family reunification: Could inclusive practice make a difference? Child Welfare, 81, 595-616. 

Leathers, S. J. (2003). Parental visiting, conflicting allegiances, and emotional and behavioral problems among foster children. Family Relations, 52, 53-63. 

Leathers, S.J., Spielfogel, J.E., Geiger, J., Barnett, J., & Vande Voort, B.L. (2019). Placement disruption in foster care: Children’s behavior, foster parent support, and parenting experiences, Child Abuse & Neglect, 91, 147-159, https://doi.org/10.1016/j.chiabu.2019.03.012 

Leeuwen, E. van, & Albrecht, G. (2008). Parent Management Training Oregon. PI Research. 

Leloux-Opmeer, H., Scholte, E. & Kuiper, C. (2016a). Samenvatting onderzoek naar uithuisplaatsing. Deel III: Ontwikkelingen en hulpverleningsresultaat een jaar na plaatsing in pleegzorg, gezinshuizen en open residentie – verschillen en overeenkomsten. Horizon jeugdzorg en onderwijs. 

Leloux-Opmeer, H., Kuiper, C., Swaab, H. (2016b). Characteristics of Children in Foster Care, Family-Style Group Care, and Residential Care: A Scoping Review. Journal of Child and Family Studies, 25, 2357–2371. https://doi.org/10.1007/s10826-016-0418-5 

Lieben, E., Roelofs, D.H.J. & Graas (2017). Samen de (Sch)ouders er onder. Handreiking netwerkgericht werken in de pleegzorg. Hogeschool Windesheim en Trias. 

Lin, C-H. (2014). Evaluating services for kinship care families: A systematic review. Children and youth services review, 36, 32-41. 

Maaskant, A. M. (2016). Placement breakdown in foster care: Reducing risks by a foster parent training program? Universiteit van Amsterdam (dissertatie). 

Maaskant, A.M., Van Rooij, F.B., Bos, H.M.W., & Hermanns, J.M.A. (2016). The wellbeing of foster children and their relationship with foster parents and biological parents: a child’s perspective. Journal of Social Work Practice, 30(4), 379-395. https://doi.org/10.1080/02650533.2015.1092952 

Maaskant, A.M., Van Rooij, F.B., Overbeek, G.J., Oort, F.J., & Hermanns, J.M.A. (2016). Parent training in foster families with children with behavior problems: Follow-up results from a randomized controlled trial. Children & Youth Services Review, 70, 84-94. DOI: 10.1016/j.childyouth.2016.09.005 

Maeyer, S. de, Vanderfaeillie, J., & Stroobants, T. (2013). Op zoek naar die pleegouder voor dat pleegkind… matching toegelicht. In J. Vanderfaeillie, F. van Holen, & F. Vanschoonlandt. Op weg met pleegzorg: kansen en risico’s. Acco. 

McWey L. M., Cui M., Wojciak A. S. (2022). Parent and caregiver relationships and mental health symptom profiles of youth in foster care. Child and Adolescent Social Work Journal, 39, 573–581. https://doi.org/10.1007/s10560-022-00834-8 

McWey, L. M., Cui, M., & Wojciak, A. S. (2023). The Importance of Sibling Relationships in Buffering Against Depressive Symptoms of Youth in Foster Care. Families in Society, 104(4), 465-475. https://doi.org/10.1177/10443894221141594 

Miko, A.L., Berger, E., & Krishnamoorthy, G. (2023). Exploring self-practices in foster carers: A qualitative study. Journal of Public Child Welfare, 17(2), 333-355. DOI: 10.1080/15548732.2022.2027844 

Munro, E. R., & Hardy, A. (2007). Placement stability: a review of the literature. Department for Education and Skills, Loughborough University. 

Nijssen, M., Damen, H., Goessens, J., & Pijnenburg, H. (2014). Voorkomen van Breakdown in de Gelderse Pleegzorg. Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. 

Oijen, S. van (2010). Resultaat van pleegzorgplaatsingen: een onderzoek naar breakdown en de ontwikkeling van adolescente pleegkinderen bij langdurige pleegzorgplaatsingen. Dissertatie, Rijksuniversiteit Groningen. 

Oyserman, D., & Benbenishty, R. (1992). Keeping in touch: ecological factors related to foster care visitation. Child and Adolescent Social Work Journal, 9, 541-554. 

Patterson, G. (2005). The Next Generation of PMTO Models. In E. van Leeuwen, & G. Albrecht. Parent Management Training Oregon.: PI Research. 

Peper, J.,Loon-Dikkers, van, L., Boelens, S., Sondeijker F. (2024). Van cijfer naar stem. Ervaringen van jongeren rondom doorplaatsingen in jeugdzorg. Verwey-Jonker Instituut. Utrecht.

Perry, B.D. & Winfrey, O. (2021). What happened to you? New York: Flatiron Books.

Pleegzorg Nederland (2023). Factsheet Pleegzorg 2021. Jeugdzorg Nederland. 

Redding, R. E., Fried, C., & Britner, A. (2000). Predictors of placement outcomes in treatment foster care: implications for foster parent selection and service delivery. Journal of child and family studies, 9, 425-447. 

Robberechts, M., Klingels, M., Holen, F. van, & Vanderfaeillie, J. (2013). Samenwerken met ouders in pleegzorg. In J. Vanderfaeillie, F. van Holen, & F. Vanschoonlandt. Op weg met pleegzorg: kansen en risico’s. Acco. 

Rock, S., Michelson, D., Thomson, S., & Day, C. (2015). Understanding foster placement instability for looked after children: A systematic review and narrative synthesis of quantitative and qualitative evidence. British Journal of Social Work, 45(1), 177-203. 

Sanders, M. (2012). Development, Evaluation, and Multinational Dissemination of the Triple P-Positive Parenting Program. Annual Review of Clinical Psychology, 8, 11.1–11.35. 

Schofield, G., Beek, M., Sargent, K., & Thoburn, J. (2000). Growing Up in Foster Care. BAAF. 

Sekreve, A. C. V., Wijsbroek, S. A., & Branje, S. J. T. (2020). Samenwerking tussen professionals in de basishulp en de specialistische hulp binnen de JIM-aanpak: Het JIM-project fase 1 over trajecten bij Youké waarin ism Lokalis met de JIM-aanpak wordt gewerkt. Youké.  

Sharda, E. (2022). Parenting stress and well‑being among foster parents: The moderating effect of social support. Child & Adolescent Social Work Journal, 39, 547-559. DOI: 10.1007/s10560-022-00836-6 

Siegel, D.J. & Payne Bryson, T. (2021). The power of showing up: how parental presence shapes who our kids become and how their brains get wired. Ballotine. 

Singer, E. (1998). De bestaans(on)zekerheid van pleegkinderen. In A. Weterings (Ed.), Pleegzorg in balans (pp. 49-60). Garant. 

Skoglund, J., Thørnblad, R., & Holtan, A. (2022). Childhood in Kinship Care: A Longitudinal Investigation (1st ed.). Routledge. https://doi.org/10.4324/9781003231363 

Slot, W. (2010). Kinderbescherming in een ontwikkelingsperspectief. In P. M. van den Bergh & A. M. Weterings (Eds.), Pleegzorg in Perspectief: Ontwikkelingen in theorie en praktijk (pp. 223-242). Van Gorcum. 

Slot, N. W., Theunissen, A., Esmeijer, F. J., & Duivenoorden, Y. (2002). 909 zorgen; Een onderzoek naar de doelmatigheid van de ondertoezichtstelling. Vrije Universiteit, Afdeling Orthopedagogiek. 

Social Care Institute for Excellence (SCIE) (2004). SCIE guide 7: Fostering. SCIE. 

Spanjaard, H., & Slot, W. (2015). Tijden veranderen, ontwikkelingstaken ook. Een ‘update’ van het competentiemodel. Kind en Adolescent praktijk. (3), 15-21. 

Spoelstra, J., M. de Baat, G. ter Meulen & A. Vinke (2017). Handboek Methodisch Matchen. Matching van langdurig uithuisgeplaatste jeugdigen aan een pleeggezin of gezinshuis. ADOC, Nederlands Jeugdinstituut en Gezinspiratieplein. 

Steensma, L. (2004). Opvoedingsvariant. Maatschappelijke Ondernemers Groep. Strijker, J. (2009). Kennisboek pleegzorg. Stili Novi. Strijker, J., & Knorth, E. J. (2007). Verplaatsingen van pleegkinderen. Een onderzoek naar verplaatsingsgeschiedenis en plaatsingsverloop bij kinderen in de langdurige pleegzorg. Kind en adolescent, 28(1), 32-45. 

Forslund, T., Granqvist, P., van IJzendoorn, M. H., Sagi-Schwartz, A., Glaser, D., Steele, M., & Duschinsky, R. (2021). Attachment goes to court: child protection and custody issues. Attachment & Human Development24(1), 1–52. https://doi.org/10.1080/14616734.2020.1840762

United Nations (1990). Convention of the Rights of the Child

United Nations (2009). Guidelines for the Alternative Care of Children. A United Nations Framework. 

Uretsky, M.C., & Hoffman, J.A. (2017). Evidence for group-based foster parent training programs in reducing externalizing child behaviors: A systematic review and meta-analysis. Journal of Public Child Welfare, 11(4-5), 464-486. DOI: 10.1080/15548732.2017.1326360 

Van Dam, N., Van der Meer, T. & Stiksma, E. (2024). Zinvolle ondersteuning in de pleegzorg. Een kennissynthese over zingeving bij pleegjongeren, pleegouders en ouders en de zorg voor zingeving door pleegzorgprofessionals. Jeugdhulp Friesland.

Vanderfaeillie, J., Holen, F. van, & Trogh, L. (2009). De invloed van gedragsproblemen op het opvoedgedrag van pleegmoeders. Kind en Adolescent, 30, 108-121. 

Vanderfaeillie, J., Holen, F. van, & Vanschoonlandt, F. (2012). Op weg met pleegzorg: kansen en risico’s. Acco. 

Vanderfaeillie, J., Goemans, A., Damen, H., Van Holen, F., & Pijnenburg, H. (2018). Foster care placement breakdown in the Netherlands and Flanders: Prevalence, precursors, and associated factors. Child & Family Social Work, 23(3), 337-345. https://doi.org/https://doi.org/10.1111/cfs.12420 

Vanschoonlandt, F., Vanderfaeillie, J., Van Holen, F., De Maeyer, S., & Andries, C. (2012). Kinship and non-kinship foster: differences in contact with parents and foster child’s mental health problems. Children and Youth Services Review, 8, pp. 1533-1539. https://doi.org/https://doi.org/10.1016/j.childyouth.2012.04.010 

Vinke, J. G., & Mortel, M. van de (2004). Methodiekhandleiding Terug naar Huis. Adviesbureau Van Montfoort & VvP De Rading. 

Weiner, D. A., Leon, S. C., & Stiehl, M. J. (2011). Demographic, clinical, and geographic predictors of placement disruption among foster care youth receiving wraparound services. Journal of Child and Family Studies, 20(6), 758-770.

Wesselman, D., Schweitzer, C. & Armstsrong, S. (2021). Integratief opvoeden. Bohn Stafleu van Loghum. [in het Nederlands vertaald en bewerkt door N. Schlattman, M. van der Hoeven en I. Hein]. 

Weterings, A. M. (2000). Onderzoek ondersteunt visie-document pleegzorg. Bevindingen uit 58 pleegzorgsituaties. Nederlands Tijdschrift voor Jeugdzorg, 4, 4-11. 

Winokur, M.A., Holtan, A. ,& Batchelder, K.E. (2018). Systematic Review of Kinship Care effects on Safety, Permanency, and Well-Being Outcomes. Research on Social Work Practice, 28(1), 19–32. https://doi.org/10.1177/1049731515620843 

Wilson, K. L., Glebova T., Davis S., & Seshadri, G. (2017). Adolescent mothers in foster care: Relational ethics, depressive symptoms and health problems through a contextual therapy lens. Contemporary Family Therapy, 39, 150-161. https://doi.org/10.1007/s10591-017-9417-y 

Wit, M. de, Moonen, X., & Douma, J. (2011). Richtlijn Effectieve Interventies LVB: Aanbevelingen voor het ontwikkelen, aanpassen en uitvoeren van gedragsveranderende interventies voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking. Landelijk Kenniscentrum LVG. 

Xu, Y., & Bright, C. L. (2018). Children's mental health and its predictors in kinship and non kinship foster care: A systematic review. Children and Youth Services Review, 89, pp. 243-262. https://doi.org/10.1016/j.childyouth.2018.05.001 

Yperen, T. van, & Bommel, M. van (april 2009). Erkenning Interventies: criteria 2009-2010, Erkenningscommissie ( Jeugd) interventies. NJi/RIVM. 

Zanden, A. P. van der, Meeuwissen, J. A. C., Havinga, P., Meije, D., Konijn, C., Beentjes, M. A., Hosman, C. M. H. (2015). Richtlijn Kinderen van ouders met psychische problemen (KOPP) voor jeugdhulp en jeugdbescherming. Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk, Nederlands Instituut van Psychologen, Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen. 

Zeijlmans, K. (2019). Matching children with foster carers. (dissertatie). Rijksuniversiteit Groningen. 

Zijlstra, A. E. (2012). In the Best Interest of the Child: a study into a decision-support tool validating asylum- seeking children’s rights from a behavioural scientific perspective. Universiteit Groningen. 

Van der Zon, K. (2020). Pleegrechten voor kinderen. (dissertatie). Amsterdam: Boom Juridisch. 

Zoon, M. (2012). Wat werkt bij jeugdigen met een licht verstandelijke beperking? Nederlands Jeugdinstituut.